Waren alle bekende/beroemde mensen die je in je leven hebt ontmoet ook interessant? Als je vindt dat alle mensen interessant zijn natuurlijk wel. Ischa Meijer, die ik op een terrasje in Paramaribo ontmoette (waarover later meer) vond juist het tegendeel. Toen ik hem vroeg of hij nog op zoek was naar interessante mensen om te interviewen, antwoorde hij “nee, interessante mensen zijn saai en vervelend”. Of woorden van gelijke strekking. Hij bedoelde waarschijnlijk dat hij zelf wel wilde uitmaken wie wel of niet interessant genoeg was om te interviewen. Maar ook hij interviewde vaak bekende mensen, die hij dus kennelijk toch wel interessant vond. Of hij wilde juist aantonen dat ze oninteressant waren. Kan ook.


De echt bekende mensen die ik in mijn leven heb ontmoet zijn op een paar handen te tellen, maar uit deze beperkte ervaring meen ik toch te kunnen opmaken dat verreweg de meeste bekende/beroemde mensen ook behoorlijk interessant zijn.
Nu zijn de meeste bekende/beroemde mensen die ik heb ontmoet jazzmusici. In mijn studententijd was ik actief in de marges van de jazzscene. Assisteren bij de organisatie en schrijven voor een jazztijdschrift. We konden niet alleen alle bekende Nederlandse musici engageren maar ook heel veel gerenommeerde Amerikanen. Dat kon omdat onze hoofdorganisator Anita Schoonhoven over ruime financiën beschikte. Anita was de vrouw van Jan Schoonhoven, een Delftse kunstenaar wiens werk op het eerste gezicht even saai is als de man zelf was. Zei zelden iets. Woonde met zijn vrouw Anita en zoon Japie op een piepkleine etagewoning in een grachtenpand zonder enig comfort. Ging elke dag trouw naar zijn PTT-baan in Den Haag, terwijl een aantal studenten achterbleef om aan de keukentafel zijn reliëfs te produceren. Nu beroemd, maar toen pas een beetje bekend aan het worden. Atypisch, maar juist daardoor erg interessant. Zijn reliëfs brachten, nadat hij een prijs had gekregen in de biënnale van Sao Paolo, tienduizenden guldens op en zijn nu vele tonnen euro’s waard. Anita mocht al dat geld uitgeven aan de organisatie van jazzconcerten.
Ik heb dus een hele reeks bekende/beroemde jazzmusici ontmoet, sommigen alleen maar met een kort praatje; maar ik ben ook wel eens een hele dag met een bekende Amerikaanse pianist opgetrokken voor een interview. Ik bespaar je alle namen. Toch één uitzondering: ik heb eens vijf à tien minuten gepraat met Herbie Hancock. Zegt je mogelijk niets, maar hij is op dit moment, nadat Sonny Rollins de vorige maand is overleden, de beroemdste nog levende jazzmusicus. Het equivalent van Mick Jagger voor een popliefhebber. Niet alle ontmoetingen waren vluchtig: vier bekende zangeressen/actrices behoren nog steeds tot onze vriendenkring. Eentje is wereldberoemd in Nederland.
Afgezien van de keer dat ik eens bij Sonja Barend aan tafel mocht zitten (geen groot succes) en afgezien van de jazzscene dus, heb ik in Nederland weinig bekende persoonlijkheden ontmoet. In de buitenlanden waar ik heb gewoond iets meer. Zo kwamen we bijvoorbeeld op een avond de ministers Duisenberg en Nelissen (financiën en economie) tegen in een bar in Paramaribo. Kennelijk incognito, hun bezoek stond niet in de krant. Ze vroegen of we nog meer aardige bars kenden. Welzeker. Mijn herinnering aan de rest van de avond is wat mistig. Ze zullen ongetwijfeld met een taxi naar hun hotel zijn teruggekeerd, maar ik moet tot mijn grote schande bekennen dat ik waarschijnlijk gewoon met mijn Landrover weer naar huis ben gereden. Interessante mensen? Duisenberg zeker, extravert, flamboyant. Nelissen sympathiek en een beetje kleurloos. Mijn indruk, ik kan me vergissen.
Over ministers gesproken: Ronald Venetiaan was, voordat hij minister en later president van Suriname werd, een korte periode een collega-docent. En gedurende een langere periode had ik aan de HU (Cetis) een collega Henry Ori, die later Minister van Onderwijs in Suriname is geworden. Hij zit op dit moment bij de verkeerde partij om ook president te worden.
Even terug naar Ischa Meyer op het terrasje in Paramaribo. Zelf natuurlijk een heel interessant persoon. Een ADHD-bom in persona. Eigenlijk alleen maar geïnteresseerd in wat en waar het beste bordeel was. Zijn activiteiten op dit terrein zijn in de Nederlandse literatuur uitgebreid gedocumenteerd, onder meer in zijn boek “Hoeren” en in de autobiografische roman van Connie Palmen “I.M”.
Op het betreffende terrasje in Paramaribo dreef verder een stroom ongeregeld aan me voorbij. Interessante onbekenden. Wel bekend, toen niet, nu wel, waren Desi Bouterse en zijn trawanten. Zij bezochten het terrasje ook frequent. Je ontmoette er verder allerlei types: medicinale planten zoekende botanisten, verzamelaars van tropische vissen, vogelaars, kikkerfotografen, schildpaddenkwekers, alimentieontvluchters, avonturiers, gelukzoekers, mensen met een aversie tegen het justitiële apparaat, etc.
In het algemeen buitenlanders, maar de leukste stamgast was een Surinamer: Hugo. Grote bek, voortdurend discussies zoekend, wat niet altijd zonder risico was. Zeker ook vanwege Bouterse en zijn vrienden. Hugo kwam uit een voorname familie, zijn vader is een poosje premier geweest. Hij had in Nederland op de HTS gezeten en was ook autocoureur geweest, althans hij had aan autoraces deelgenomen (beweerde hij).
Gebruikmakend van zijn relaties had hij erg veel geld verdiend met een importhandeltje. Motorolie als ik me goed herinner. In die periode woonde hij in de duurste suite in het duurste hotel, waar hij, na zijn onvermijdelijke faillissement met grote schulden was uitgegooid. Maar kennelijk beschikte hij na zijn bankroet nog over voldoende zakgeld voor zijn alcoholische gewoontes. Anders dan bij de meeste drinkebroers het geval is was Hugo altijd een aangename discussiepartner. Naast zijn hilarische verhalen over de Surinaamse upper class produceerde hij een niet aflatende stroom zakelijke plannen. Hij wilde drinkwater exporteren naar buurland Frans-Guyana, waar ze alleen Frans flessenwater dronken terwijl Suriname prima bronwater had. Of hij wilde de wortels van mangrovebomen naar Nederland gaan exporteren vanwege hun decoratieve kwaliteit. Etc. etc.
Op een dag deed hij me verslag van weer een mislukt project. Hugo had een potje met Surinaams savannezand opgestuurd naar een Amerikaans laboratorium met de vraag of dit geschikt zou zijn voor glasproductie. Dat was in hoge mate het geval. Hugo meteen opgetogen met het rapport naar zijn oude vriend Sjuul (Jules) die nu minister van het een of ander was. Nu was Sjuul een grote uitzondering in het Surinaamse politieke landschap. Hij was integer, onkreukbaar en had daarvan zijn unique selling point gemaakt. Geen populaire positie onder zijns gelijken. Zijn bijnaam was dan ook “Bobo Sjuul” (Sulletje Sjuul).
Sjuul was niet enthousiast. Hij vroeg Hugo hoe hij aan het zand was gekomen. Dat had hij gewoon bij Zanderij in een potje gedaan. Waarop Sjuul kil reageerde: “weet je wel dat je dit zand dan van de Surinaamse staat hebt gestolen?”. Exit woedende Hugo.
Het is slecht met hem afgelopen. Onder verdachte omstandigheden gestorven in een cel waar hij door de militairen van Bouterse in was gegooid. Waarschijnlijk is zijn grote bek hem toch noodlottig geworden. Een passend einde, dat wel.
*******
PS: Nadat ik deze column had geschreven vroeg ik me af welke van de hilarische verhalen van Hugo ik me nog kon herinneren. De tijd heeft zijn werk gedaan, ik kom niet verder dan twee.
In de Sociëteit Het Park waar de mannelijke Surinaamse elite samenkwam was het de gewoonte dat iedereen een bonnetje had waarop zijn consumpties werden genoteerd. Eén lid was berucht vanwege zijn gewoonte om telkens net voordat hij aan de beurt was een rondje te geven, van tafeltje te wisselen en die actie steeds maar te herhalen. Iedereen wist het, maar tolereerde het. Op een avond krijgt de klaploper een hartaanval en valt met zijn voorhoofd op tafel. Van alle aanwezigen werden nu de consumptiebonnetjes verzameld die vervolgens onder zijn voorhoofd op tafel werden gelegd.
Een ander lid van de sociëteit verkeerde in ernstige financiële problemen. Grote schulden met een bijna onvermijdelijk faillissement in zicht. Om dat te voorkomen had hij een plan bedacht. Bij al zijn vrienden en kennissen leende hij een relatief klein bedrag. Als hij het totaal daarvan zou kunnen verdubbelen was hij voorlopig uit de brand. Hij zette daarom het hele bedrag in het casino in op Rood. Helaas viel het balletje op Zwart. Alles kwijt.
De volgende middag ging hij weer naar de sociëteit. Hij sprak de aanwezigen toe en vertelde dat iedereen helaas het aan hem geleende geld kwijt was. Hij bedankte iedereen en zei dat hij de eer aan zichzelf wilde houden. Hij liep naar buiten en liep van de Marinetrap de Surinamerivier in. Een bekende zelfmoordplek vanwege de sterke stroming ter plaatse. Alle aanwezigen van de sociëteit namen op het balkon van de sociëteit, dat uitkeek op de rivier, afscheid van hem met opgeheven glas. Een eervol afscheid.
gezinus.wolters@gmail.com


