Column

Henk en de HU in 2032

Op 28 mei 2026, las ik in de krant, overleed Henk de Greef. Jullie allen wel bekend, hij was van 1995 tot 2003 voorzitter van ons College van Bestuur. Ik heb nooit een directe werkrelatie met hem gehad, maar ik heb hem natuurlijk wel ettelijke keren ontmoet op samenkomsten van diverse aard en later bij de jaarvergaderingen van onze vereniging. Een sympathieke, vriendelijke, charismatische man was mijn indruk. Eigenschappen die ervoor zorgden dat hij als bestuurder verbindend kon zijn onder lastige omstandigheden.

Ik moet ook weer denken aan de keer dat ik met hem in een polemische discussie raakte. Lang geleden, hij was al gepensioneerd. Geri Bonhof stond toen aan het roer. Omdat ik in deze discussie nogal kritisch was op zijn standpunten, aarzelde ik erg om die op deze plaats nog weer op te rakelen. Maar ik realiseerde me ook, toen ik die stukjes nog eens nalas, dat de problematiek daarin nog bijzonder actueel is. En bovendien waren de standpunten van Henk, gezien vanuit zijn positie en zijn geschiedenis, zeer respectabel en begrijpelijk. Ik was het er alleen niet mee eens.

De discussie begon met een stuk van Henk waarin hij vond dat de kritiek op het hbo in de media en politiek niet terecht of in elk geval overdreven was. Ik ergerde me aan dat standpunt en schreef dat de zittende en voorgaande CvB’s toch wel wat meer verantwoordelijkheid konden nemen voor alle laatste en voorlaatste plaatsen die de HU voortdurend innam bij alle ranglijsten zoals bijvoorbeeld de Keuzegids. Er is in dit opzicht niets veranderd, de HU is nog steeds de op een na slechtst beoordeelde grote hogeschool. Ook vond ik het rapport van de commissie-Gispen, waar Henk hoog van opgaf, een aanfluiting: een groot aantal open deuren intrappend en het kernprobleem vermijdend.

Ik eindigde de polemiek met de volgende alinea:
Het grootste raadsel is eigenlijk waarom het zo lang nog redelijk goed gaat. Waarom wordt de HU niet gestraft voor zijn degradatieplaatsen in de Keuzegids met fors afnemende inschrijvingen? Dat blijft gissen.
We hebben mazzel, Utrecht is een zeer aantrekkelijke studentenstad. Lekker centraal. Ouders zien hun zeventien- of achttienjarige kroost niet graag vertrekken naar het Mokumse Sodom en Gomorra en Utrecht is dan een aantrekkelijk alternatief.
En misschien, het is maar een theorie, vinden studenten het wel helemaal niet zo erg om een matig scorende opleiding te kiezen omdat ze denken op die manier met relatief weinig inspanning een diploma te kunnen halen. Maar hoe lang blijft dit nog goed gaan?”

Misschien is dat wel de kern van de kwestie: we worden niet echt gestraft voor onze slechte prestaties. En daarom wordt er ook niet genoeg urgentie gevoeld om het beter te doen. Als voetbalclubs slecht presteren en degraderen, wordt de trainer ontslagen of het bestuur vervangen. Als een bedrijf langere tijd slechte resultaten behaalt, wordt meestal het management vervangen. Een soortgelijk mechanisme lijkt bij een instelling als de onze niet te bestaan.

Enig begrip voor de positie van onze bestuurders is toch ook op zijn plaats. Hun primaire zorg is – of lijkt te zijn – om de zaak budgettair goed rond te breien. Bij de bekostigingssystematiek is het rendement een cruciale factor. Ook nu weer, in het nieuwe instellingsplan HU in 2032 lijkt het primaire streven om het rendement te verhogen. “Opleidingen moeten beter studeerbaar worden”. Een eufemisme voor het verlagen van de normen. Hierdoor gaan we weer verder langs de neerwaartse spiraal. Druk om het rendement te verhogen heeft een eroderende werking op de werkvloer. Ik heb ooit meegemaakt dat een docent bij een multiple choice-toets een voldoende gaf bij een score gelijk aan de raadkans. Het hedendaagse equivalent zal mogelijk zijn dat een werkstuk dat volledig met AI is geproduceerd, met een voldoende wordt beoordeeld.

Het belangrijkste probleem is naar mijn mening dat studenten veel te weinig tijd aan hun studie besteden. Goed onderwijs is onderwijs dat studenten aan het werk krijgt. In “mijn tijd” was de gemiddelde studietijd per week twintig uur, de helft van de vereiste nominale studiebelasting. Dat is wat ze zelf aangaven, de realiteit was waarschijnlijk nog triester. Het zal inmiddels vast niet beter zijn geworden. Aan dat primaire probleem zou eerst moeten worden gesleuteld, niet aan het verlagen van de normen om het rendement te verhogen. Maar hoe bereiken we dat studenten meer tijd aan hun studie gaan besteden? Daar is expertise voor nodig. Onderwijskundige expertise. En ik betwijfel of die aanwezig was bij de opstellers van HU in 2032 of bij de consultants die het moeten gaan implementeren. Net zoals die ontbrak bij de commissie-Gispen enkele decennia geleden.

In de twintig jaar dat ik bij de HU werkte heb ik maar één keer gedurende een korte periode een echte onderwijskundige meegemaakt (de Henry Ori uit een eerdere column). Alsof je een bank runt zonder een econoom in dienst te nemen. Of een architectenbureau zonder bouwkundig ingenieur. Of een verzekeringsmaatschappij zonder statisticus. Of een accountantskantoor zonder een fiscaal jurist. Of …

Nu hebben docenten een bloedhekel aan onderwijskundigen. Heel begrijpelijk, ik was ook ooit docent en wist wel hoe het moest. In die twintig jaar bij de HU heb ik ook nog nooit meegemaakt dat een docent zijn of haar bijscholingsbudget heeft besteed aan het verbeteren van didactische vaardigheden. Docenten denken vaak dat hun “vak” het belangrijkste is en dat ze voldoende ervaringsdeskundig zijn op didactisch gebied, omdat ze zelf jarenlang onderwijs hebben genoten. Weinig docenten in het hbo vinden dat hun primaire beroep docent is, ze beschouwen zichzelf altijd nog in de eerste plaats als econoom, elektrotechnicus, wiskundige of wat dan ook. Ook daarom zal het noodzakelijk zijn, als we de leerprocessen aan ons instituut willen verbeteren, om relevante expertise in te huren.

De aversie tegen onderwijskundigen komt ook door alle onderwijsvernieuwingen in de laatste decennia. Vaak goed bedoeld, maar nauwelijks wetenschappelijk onderbouwd, slecht geïmplementeerd en door het management misbruikt om bezuinigingen door te voeren. Toch zullen we, als we willen dat studenten meer tijd aan hun studie gaan besteden, onderwijskundige expertise nodig hebben. Maar dan wel onderwijskunde die op harde wetenschap is gebaseerd (evidence based learning), niet op plausibele maar onbewezen theorieën. Het lijkt me een aardige suggestie aan het CvB om alle docenten een eindejaarspresentje te geven in de vorm van een boek van Paul Kirschner. Bijvoorbeeld “De kunst en kunde van het lesgeven” of “De leraar: Vakmanschap in onderwijs”. Om kennis te maken met deze tak van sport. (zie kirschnered.nl/boeken/}

Ronald van Domburg ergerde zich in zijn bijdrage aan onze nieuwsbrief aan de stelling  “De student centraal” in het plan HU in 2032. Hij vindt dat student en docent even belangrijk zijn. Ik ben het niet met hem eens. Er is nog iets belangrijkers: het leerproces, de onderwijsmethodiek.  En omdat de docent in dat leerproces de primaire, de belangrijkste, de cruciale rol speelt, is de docent voor een effectieve en efficiënte onderwijsinstelling belangrijker dan de student.

De student, of liever een afgestudeerde mbo’er, havo’er of vwo’er, is onze primaire klant. Wij moeten hem of haar verleiden om zich in te schrijven voor een opleiding en zorgen dat hij of zij die opleiding voltooit.
We hebben nog een andere klant, de werkgevers van onze afgestudeerden. Of eigenlijk de maatschappij als geheel. Volgens de HBO-Monitor zijn zij wel redelijk tevreden over het door ons afgeleverde product. Maar bij de HBO-Monitor keurt de slager zijn eigen vlees. Het zou heel interessant zijn als hierbij ook een ranglijst zou worden opgesteld van de waardering van de grote hogescholen. Jammer genoeg is die niet te vinden, zodat we niet weten of we ook hierbij op de laatste plaatsen terechtkomen.

Bij een evaluatiegesprek na een tevredenheidsonderzoek bij een opleiding met de docente die stijf op de laatste plaats was geëindigd bleek ze niet erg onder de indruk. “Wat is het probleem? Als ik niet laatste was geworden, was iemand anders dat toch geworden? Iemand moet toch laatste zijn?” Ze zag geen aanleiding om een verbetertraject in te gaan.
Dat is natuurlijk een extreem geval. Maar je moet de kwaliteitszorgcyclus – meten, analyseren, verbeteren – volledig uitvoeren wil die effectief te zijn. Ik vermoed dat het nog steeds zo is dat we wel redelijk vaak en goed meten, slordig analyseren en vrijwel nooit een zinvol verbeterproces in gang zetten. We hoeven ons dus eigenlijk niet erg te verbazen over onze degradatieplaatsen.
Maar ik hoop dat de mentaliteit van bovengenoemde docente inmiddels niet epidemisch is geworden. Want dan had het instellingsplan beter de titel “HU in 2032 ?” kunnen krijgen.

gezinus.wolters@gmail.com

Related posts
Column

Gedoogplek

Toen ik halverwege de negentiger jaren naar De Uithof verhuisde met de HvU, waren er nog aparte…
Lees meer
Column

Schoolgebouw

Nu ik als gepensioneerde tijd heb, probeer ik plaatsen te bezoeken die een rol in mijn leven hebben…
Lees meer
Column

Papier niet hier...

Vorige maand was het in het nieuws: in de papierhoofdstad van Nederland, het stadje Eerbeek in…
Lees meer

EXCLUSIEVE TOEGANG

Word lid van VOM HU

Als lid van VOM HU blijf je verbonden met oud-collegas om ervaringen, geluksmomenten en (persoonlijke) kennis te delen.




LID WORDEN