Feuilleton 'Een liefde op de barricades, Parijs 1968'

‘Een liefde op de barricade, Parijs 1968’ – hoofdstuk 6

Hier alweer het zesde hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricades, Parijs 1968’ van Niko van der Sluijs.
Nieuwsgierig hoe het verder gaat? Over 14 dagen vind je hoofdstuk 7 op deze site.

Het rondleiden van toeristen was minder moeilijk dan ik had gedacht, en ook minder boeiend dan ik had gedacht. Wandelen langs nachtclubs, de mensen de vrije ruimte laten en zelf wat fris nuttigen aan de bar. Aan het eind van de rondleiding mijn werkbriefje laten aftekenen en klaar. Tot ik mijn werkbriefje niet op de avond zelf maar de volgende ochtend pas liet aftekenen, wonderen bestaan…

6. FTS
Non, je ne regrette rien

Vanavond was mijn derde rondgang met toeristen door het pittoreske Montmartre. Eerst bezienswaardigheden, dan het restaurant waar de vouchers werden ingewisseld voor een avondmaaltijd en daarna het nachtleven in. Ik moest langs een drietal ‘cabarets’, waarvan er volgens mij slechts één die titel verdiende. Het travestienummer was geweldig, fenomenaal uitgevoerd door een strippende acrobaat in dameskleding. Handstand op de leuning van een stoel, een salto en een koprol over gillende bezoekers, om na een aantal onnavolgbare bewegingen piemelnaakt de dames vol enthousiasme te laten gillen en de heren te laten staren naar iets dat de meeste van hen niet in die afmeting hadden meegekregen. En dat terwijl het allemaal begon met een prachtige dame, waarvoor juist die mannen stoer rechtop waren gaan zitten. Wel loerden zij in het begin angstig naar de jaloerse blikken van hun wederhelften. Voor de derde keer ergerde ik mij aan de overige voorstellingen, die in mijn ogen niet boven het niveau van een ranzige seksclub uitkwamen. Het niveauverschil beperkte zich hoogstwaarschijnlijk tot de afwezigheid van prostitutie, hoewel ik daar niet helemaal zeker van was. Ik zag in ieder geval geen dames solo aan de bar waaraan ik zat en er was ook geen over geparfumeerde dame geweest die naast mij op een kruk klom om mij te verleiden met haar de duurdere drankjes te testen. Wel zag ik innige koppeltjes, die elkaar behoorlijk aflikten en openlijk betastten. De barman fluisterde mij van dichtbij toe, dat de man op het verste punt van de bar regelmatig terugkwam met een andere vrouw. Hij toverde daarbij een jaloers geil lachje op zijn smalle Franse lippen. Ik dacht slechts, jij bent geen goede barman, dat hoor jij mij niet te vertellen. Maar het gaf mij toch een kick, dat hij in mij een partij zag om zoiets mee te delen. Ik besloot de barkeeper een drankje aan te bieden, een investering in de toekomst. Wie wist hoe vaak ik hier nog moest rondhangen, terwijl de Hollandse karavaan zich vermaakte met de meer pikante details. Parijs betekende voor hen ‘Paris la nuit’. Zij wilden zich onderdompelen in nostalgisch roodgekleurde buurten, waar het rosse leven zich afspeelde tussen accordeon en ‘showgirls’, die geselecteerd op hun lange benen halfnaakt dansten op een gecapitonneerd podium. Voor dat podium moest dan een echte markies zitten, die een roos naar zijn favoriete danseres wierp, als uitnodiging voor een romantische nacht, die uit kon monden in het sprookje van ‘lang en gelukkig’. De bekendste plaats was de ‘Moulin Rouge’, de molen met de rode lampjes, die, hoewel niet opgewassen tegen de hoge verwachtingen, nog steeds de belangrijkste uitgaansgelegenheid was aan de voet van Montmartre. In de nabijheid viel het grote aantal nachtclubs op. De kwaliteit leek dubieus. Wij kregen de instructie daar weg te blijven. De vitrines gaven hoopvolle beelden van gedurfde erotische voorstellingen, maar de overeenkomst tussen de verschillende vitrines was verbluffend. Dezelfde uit de kluiten gewassen zwarte man suggereerde de dames te bespringen in veel van die clubs tegelijk. De man moest overuren maken en scheen een potentie te hebben van een flinke kudde stieren. Enfin, het romantische, in zwoele klanken aangespoorde Edith Piaf-gevoel kon ik daar nergens vinden. Het Parijs van ‘de mus’, die als straatzangeres door Parijs zwierf, om daarna wereldberoemd te worden, was zeker niet overal aanwezig. Juist dat Parijs dachten veel toeristen te vinden. Het Parijs met de zwoele, zwierende nachten, het bruisende ‘rouge’, de klanken van ‘Milord’ en ‘Non, je ne regrette rien’. Misschien kwam ik dat Parijs nog een keer tegen. Het herinnerde mij er aan ‘Père Lachaise’, het kerkhof waar Edith Piaf begraven lag, op te gaan zoeken. Tenminste als ik eraan toe kwam, werken en studeren kostten veel tijd.

Nadat ik de toeristen begeleid had naar het eindpunt, zag ik dat het deze nacht later was geworden dan de eerste keren. Restaurant Luce was al gesloten en dus ook de balie, waarachter een medewerker van de FTS zat. Mijn werkbriefje van vandaag kon ik niet meer af laten tekenen. Iedere twee weken kon ik daar met mijn getekende exemplaren afrekenen.

Ik besloot de volgende morgen langs te gaan. Ik had geen colleges en andere plannen had ik ook niet.

’s Morgens om tien uur liep ik over een zonnig Place de Clichy vol verkeersgeluid. Waarom altijd die haast van de Parijzenaars? Het verbaasde me, dat er al zoveel toeristen op de been waren. Japanners, luid kwetterend in groepjes. Dikke Amerikanen in geruite broeken en minder herkenbare nationaliteiten, die vroeg waren gestart om het moois van de Parijse gevels af te kijken. Ik stapte het restaurant binnen en wandelde naar de FTS-balie, waarachter een slanke, kleine, jonge dame in het FTS-uniform met de rug van het rode jasje naar mij toegedraaid stond. Ik kuchte overdreven, om haar aandacht te trekken. Zij bleef in dezelfde houding staan en verzocht mij op gedecideerde toon geduld te hebben. Ik voelde mij behoorlijk in mijn hemd gezet. Zo stond ik minutenlang tegen haar welgevormde taille en prachtige billen aan te kijken, waarop haar lange donkere haren dansten bij iedere beweging van haar hoofd, die voornamelijk gemaakt werd in de richting van een ladekast, waarin zij bleef zoeken. Wij begroetten elkaar uiteindelijk met een flauw ‘bonjour.’ Op het moment dat onze ogen elkaar ontmoetten kwam mijn lijf volledig onder stroom te staan. Ik hield mij vast aan de rand van de balie. In mijn hoofd begonnen duizenden kerkklokken te luiden. Het complete sterrenstelsel wandelde langs mijn ogen. Een korte stekende pijn schoot door mijn maag. Mijn mond werd gortdroog, er kwam geen woord meer uit. Ik voelde de kleur uit mijn gezicht wegtrekken. Het meisje, dat eerst aan de grond genageld leek te staan, rende achter de balie vandaan. Er was geen moment van aarzeling, wij vlogen elkaar om de hals:

‘Joyce!’

‘Pieter, wat doe jij hier?’

Het volgende moment waren we verlegen met de situatie. Zij erger dan ik. De intimiteit, die Joyce toestond in Rotterdam en direct daarna weer die gedecideerde afstand, speelde door mijn hoofd. Dat botste wel honderd keer tegen een wand vol echo, waarvan het lawaai me gek maakte. Mijn hoofd barstte bijna. Hier stond ik, midden in Parijs, met Joyce in mijn armen, zomaar uit het niets. Dit kon geen toeval zijn. Mijn kaken weigerden dienst. Ik voelde een verkramping, die praten onmogelijk maakte, een ongewone spierspanning zette mijn lijf op tilt. Ik voelde haar lichaam tegen het mijne, haar armen om mijn hals.

Ik dacht weerstand bij haar te voelen; nee toch niet, geen beweging naar achteren, maar naar mij toe. In al mijn twijfel voelde ik langzaam haar lichaamswarmte tot mij doordringen. Haar hier te treffen, haar hier te voelen. Nu wist ik zeker dat het gevoel in Rotterdam niet een onbetekenend moment was, niet de signalen van twee passerende schepen. Ik was lamgeslagen, kon mij niet meer concentreren. Was dit het ultieme gevoel, waar ik naar op zoek was? Voelde ik haar wijken? Ik wilde niet loslaten, kon het maar altijd zo blijven. Haar mooie, warme lijf tegen het mijne. Eindelijk durfde ik haar aan te kijken. Zij keek mij recht in de ogen. Hoe lang al? Haar ogen glinsterden in vochtige bruine lichtjes. Zag ik tranen? Het enige wat ik kon was dom grijnzen, woordeloos, of meer wezenloos? Elk woord, dat ik zou uitspreken, zou zinloos zijn en niets om het lijf hebben, als ik een woord al gewoon zou kunnen uitpreken. Joyce leek ook niet helemaal zeker. Ik voelde haar handen zich steviger in mijn nek vastzetten. Zij wachtte met woorden. Woorden die konden aangeven wat zij voelde, of dacht te voelen. Ik danste met haar in het luchtledige, in de uiterlijke schijn van niets. We konden alleen maar moeizaam glimlachen. Mijn kaken zaten nog steeds vast, niets scharnierde meer en het leek niet over te gaan. Ik stond voor mijn gevoel een eeuwigheid te stuntelen, voelde me hopeloos en waanzinnig gelukkig tegelijk, terwijl ik mijn controle nog steeds volledig kwijt was. Wat zou Jos hierom moeten lachen. Hij zou mij afzagen tot net boven mijn enkels, waarbij hij mij voor ‘lul’ had uitgemaakt en mij op zijn manier had uitgelegd, waarom die juffrouwen mij zo gemakkelijk om hun vingers konden wikkelen.

‘Nee, dit is anders, Jos!’ Wat zou hij mij lief cynisch hebben aangestaard.

Ik lachte sullig voor mij uit.

Joyce kwam als eerste terug in de werkelijkheid, die om ons heen gewoon door bleef gaan. Zij liet mij los en draaide zich geschrokken van mij af. Een zacht gekuch blies bij mij de zilveren wolk uiteen. Er stonden mensen voor de balie te wachten. Ik keek gegeneerd in de richting van de klanten, maar zag op menig gezicht een vrolijk lachje, alsof ze mij wilden zeggen, dat zij de zon best in het water konden zien schijnen. Joyce keek vol schaamte van haar klanten naar mij. Even dreigden we de slappe lach te krijgen, maar de binnenkomst van Viviène weerhield ons.

‘Wat is het hier druk!’

‘Ja, het lijkt of deze mensen met elkaar afgesproken hebben allemaal tegelijk te komen.’

Joyce antwoordde in rap Frans zonder in mijn richting te kijken. Ineens bedacht ik, dat ik hier was om mijn werkbriefje af te laten tekenen. Ik schuifelde achter in de rij plichtmatig mee en zag dat er acht mensen voor mij waren. Wij moesten een eeuwigheid in elkaars armen hebben gestaan, zonder dat die mensen ons wilden storen.

Toen ik aan de beurt was, tekende Joyce mijn werkbriefje af. Onze cheffin keek mee en constateerde hardop, dat ik het laat had gemaakt gisteravond, om daarna te vragen of ik het werk leuk vond. Ik bevestigde het laatste, maar vroeg direct of ik eens met een groep naar een echt theater mocht, zoals de Folies Bergères, of de Opera. Viviène lachte haar tanden bloot en riep vrolijk, ‘dat mijnheer nu al voor het grote werk wilde gaan.

Nog even doorgaan met oefenen, dit werk moet ook gedaan worden en vereist meer zorgvuldigheid, dan wat jij noemt een toer naar het echte theater. Je hebt deze week toch nog een excursie Montmartre?’

‘Eh, ja klopt, morgen.’

Ik hoorde nauwelijks wat ze zei. Mijn ogen dwaalden af in de richting van Joyce, die koeltjes doorwerkte en druk bezig was een toerist een avondarrangement te verkopen. Ik wist niet wat te doen, kon haar moeilijk onderbreken, maar kon hier ook niet eeuwig blijven staan. Viviène keek al wat verbaasd naar mij, omdat ik niet gewoon afscheid nam. Ik draaide mij onhandig om en liep naar de deur.

‘Nou, tot ziens.’

Ik bleef staan, verzamelde alle moed en liep terug naar de balie, richtte mij tot Joyce en vroeg of ze tijd had met mij te lunchen. Haar ogen straalden. Met een klein excuus naar de klant draaide zij zich naar mij, alsof we elkaar weer om de nek zouden vliegen.

‘Nee, Pieter ik kan niet vanmiddag, maar vanavond ben ik vrij. ‘

‘Vanavond is prima. Zullen we samen eten?’

‘Lijkt me een goed idee. Bel me om vier uur, dan ben ik hier nog.’

Ik kon wel juichen, zingen, schreeuwen van geluk. We hadden een afspraak. Ik kon het niet geloven, Joyce, hier in Parijs vlak bij mij.

‘Oké, ik bel je. Ik ga nu, ik bel je, dag.’

Ze zwaaide mij na.

Buiten voelde ik een aangename frisse lucht langs mijn gezicht strijken. De zon scheen nog steeds. Ik produceerde een oerkreet; een ontlading van opgebouwde spanning, die in al haar spasticiteit nog niet uit mijn lijf was verdwenen: ‘Yeeeeaaaah!’

Tussen de verbaasd kijkende voorbijgangers wandelde, nee, zweefde ik de rue d’Amsterdam in rechtdoor naar de Rue du Havre en linksaf de Boulevard Haussmann op. Zo moest die Tony uit de West Side Story zich gevoeld hebben, toen hij Maria ontmoette ‘Maria, Maria, I just met a girl named Maria…’

Joyce was haar naam. Mijn hoofd danste in de wolken. Mijn maag balanceerde tussen honger en misselijkheid.

‘Honger, honger? Jij hebt helemaal geen honger. Honger hadden wij in de oorlog!’

Ik hoorde mijn moeder tegen mij praten dwars door mijn euforie heen.

Dit moet een uniek gevoel zijn, want Joyce was er in de oorlog nog niet.

Ik grijnsde in een overwinningsroes voor me uit, zweefde nog even door en landde pas in de realiteit, toen ik tussen de duizenden wandelaars de contouren van de Opera op mij af zag komen. Het voorval met de demonstratie kwam weer boven. Automatisch keek ik om mij heen of er geen politie rondliep. Ik zuchtte diep. Een plotselinge achtervolgingswaanzin bekroop me, maar maakte plaats voor het beeld van Joyce, dat ik in mijn gedachten meevoerde. Het was een onwerkelijke roes. Waarom liep ik hier? Waar ging ik naar toe? Ik zou Joyce bellen, maar wanneer, hoe laat en waar? Ik griste het kaartje uit mijn zak, waarop het adres en telefoonnummer van de FTS-balie stond gedrukt.

‘Samen eten, ik moet uitzoeken waar. Vanavond al, vanavond wil zij mij weer zien. Ik word gek. Met dit gevoel in mijn maag krijg ik geen hap door mijn keel. Ik moet een ander voorstel verzinnen.’

Ik realiseerde mij, dat ik hardop in mijzelf liep te praten.

Ik had haar gevraagd met mij te lunchen, dus zo gek was haar antwoord niet. Dat ik haar had gevraagd. Dat ik dat durfde en de moed had terug te gaan. Hoe moest ik dat uitleggen aan John, of liever gezegd aan mijn geweten, of zou het uit zijn met John? Waarom dacht ik nu aan John, rot op met John. Joyce was hier en niet in Rotterdam, of zou John ook in Parijs zijn?

Alles spookte in sneltreinvaart door mijn hoofd. Wanneer hield dit op? Hoe laat was het?

Ik stond voor het Palais Royal en was zonder het op te merken de Avenue de l’Opéra afgelopen. Verdwaasd vervolgde ik mijn weg en plofte neer op een bankje bij de ‘Orangerie’ in de ‘Jardin des Tuileries.’ Ik deed mijn ogen dicht en probeerde na te denken, maar ik kon het niet. Steeds zag ik die ogen van Joyce in ‘Luce’ naar mij opkijken. Ik voelde weer die buitenaardse sfeer, alsof ik buiten mijzelf was getreden, kijkend naar een intense begroeting, waar ik wel weer onderdeel van was. Was het alleen een begroeting of was het meer?

Ik vroeg een passerende man hoe laat het was. Eén uur.

Eén uur pas, nog drie uur wachten om te bellen! Al één uur, ik had twee uur rondgelopen als een kip zonder kop, of was ik zo lang binnen geweest bij ‘Luce’. Hoe laat was ik daar weggegaan?

Ik vroeg een volgende wandelaar naar de tijd, voor alle zekerheid. Het was echt één uur. Hoe kwam ik de middag door? Studeren lukte nooit in deze staat van opwinding. Een sandwich kopen? Alleen al het denken aan eten, deed mijn maag samentrekken. Een gevoel van leegte kwam over me, of was het onzekerheid, die mij in haar greep kreeg. Uit het niets hoorde ik muziek, hoorde ik de Bee Gees, Spicks and Specks… Ik neuriede voor mij uit. Het was eigenlijk een somber lied, niet van toepassing op mijn stemming. Voor de twintigste keer voelde ik in mijn zak of de munten, die ik uit mijn portemonnee had gehaald voor de telefoon, er nog waren.

Wist ik het nummer nog?

Ik haalde het kaartje uit mijn zak. Ik had het nummer in mijn hoofd, maar bleef het controleren. Ik stond op en liep in de richting van de ‘Champs’, liep weer terug en besloot te gaan kijken waar de dichtstbijzijnde telefooncel was, kijken of de telefoon daar ook functioneerde. Het was 11 november 1967, de opening van het carnaval seizoen. De zon scheen en ik, ik hupte als een verliefde kalkoen door deze wereldstad.

Niko van der Sluijs

Related posts
Feuilleton 'Een liefde op de barricades, Parijs 1968'

'Een liefde op de barricades, Parijs 1968' - hoofdstuk 8

Hier alweer het achtste hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricades, Parijs 1968’ van…
Lees meer
Feuilleton 'Een liefde op de barricades, Parijs 1968'

'Een liefde op de barricade, Parijs 1968' - hoofdstuk 7

Hier alweer het zevende hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricades, Parijs 1968’ van…
Lees meer
Feuilleton 'Een liefde op de barricades, Parijs 1968'

'Een liefde op de barricade, Parijs 1968' - hoofdstuk 5

Hier alweer het vijfde hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricades, Parijs 1968’ van…
Lees meer

EXCLUSIEVE TOEGANG

Word lid van VOM HU

Als lid van VOM HU blijf je verbonden met oud-collegas om ervaringen, geluksmomenten en (persoonlijke) kennis te delen.




LID WORDEN