Weer een 4 en 5 mei gepasseerd. Altijd weer emotioneel. Vooral in een tijd waarin er in de wereld ten minste drie oorlogen woeden. De meesten van ons hebben zelf geen herinneringen aan de oorlog hier en toen, maar we zijn er allemaal in meer of mindere mate door gevormd. Door de boeken die we erover hebben gelezen en de films, documentaires en tv-uitzendingen (Loe de Jong) die we hebben gezien. Maar vooral, in mijn geval althans, door alle verhalen in familiekring.
Mijn ooms en tantes bezochten ons twee keer per jaar op de verjaardagen van mijn vader en moeder. Tijdens die verjaardagen was er eigenlijk maar één constant gespreksonderwerp: de oorlog. Sterke verhalen. Over hoe mijn opa in zijn eigen huis weigerde opdrachten van een NSB’er uit te voeren. Hoe een oom, de enige uit de familie die echt in het verzet zat, aan de Duitsers ontsnapte door urenlang in een sloot onder te duiken. Hoe men illegaal paarden slachtte. En heel veel anekdotes met een hoog “Wo ist der Bahnhof”-gehalte. Als kind vroeg je je bij het aanhoren van al die verhalen altijd af of je ook zoiets zou hebben gedurfd. Of je de moed zou hebben gehad om ook zoiets te doen. Maar nooit of je ook aan de goede kant zou hebben geopereerd, of je wel anti-Duits zou zijn geweest. Dat sprak volkomen vanzelf.


Er waren natuurlijk ook zaken waar nooit iets over werd verteld. Er waren niet veel Joden in de dorpen van mijn jeugd. Maar ze waren er wel en ik heb tijdens de verjaardagsvisites nooit iets gehoord over hun lot. En Westerbork was ook niet zo ver bij ons vandaan. Ook geen onderwerp van conversatie.
Jaren later kwam ik bij toeval achter een gebeurtenis die eveneens nooit ter sprake was gekomen. Een aangetrouwde oom, een echte mafkees, was tijdens de oorlog teruggelopen uit Rusland. Hij had zich, als pakweg 18-jarige, waarschijnlijk onder druk van zijn van origine Duitse familie, aangemeld als vrijwilliger aan het Oostfront, maar had kennelijk toch niet zoveel zin om daar te sneuvelen. Maar stel je dat eens voor! Dwars door Rusland, Polen en Duitsland. ‘s Nachts lopen en je overdag schuilhouden. Leven van het land. Allemaal te onwaarschijnlijk voor een filmscenario. Nooit ontdekt of hij zo’n mafkees is geworden vanwege zijn ongetwijfeld traumatische ervaringen of dat hij dit soort idiote avonturen heeft ondernomen omdat hij zo’n mafkees was. Een beetje van allebei, denk ik.
Vele jaren later ontdekte ik nog een stukje familiegeschiedenis dat me altijd was onthouden. Op een conferentie ontmoette ik een familielid, een neef van mijn vader, hij was maar een paar jaar ouder dan ik. Werkte ook bij een hogeschool in een vergelijkbare functie. Na wat koetjes en kalfjes kwam hij op de proppen met de grote kwestie die zijn hele leven had beheerst. Verpest. Hij vertelde me dat zijn vader fout was geweest in de oorlog. NSB’er geworden in de jaren dertig. Mijn opa had drie broers. Twee ervan waren fout. Na de oorlog hebben de broers, twee tegen twee, nooit meer een woord gewisseld. Zelfs niet gegroet. De maatschappelijke uitsluiting had mijn achterneef totaal gevormd. Misvormd.
Na het gesprek met hem realiseerde ik me dat het helemaal niet zo vanzelfsprekend was dat mijn familie in de oorlog aan de goede kant had gestaan. Een dubbeltje op zijn kant. Fiftyfifty. Voor hetzelfde geld had ook mijn opa in de jaren dertig op de achteraf gezien foute manier geprotesteerd tegen de toenmalige maatschappelijke misstanden.
Ik ben sinds die ontmoeting heel wat milder gaan oordelen over mensen die fout waren in de oorlog. En gelukkig hoorde ik van mijn vader dat zijn twee foute ooms geen echte misdragingen of misdaden hadden begaan.
En tegen mijn vaders neef heb ik helaas verzuimd om te zeggen dat je niet verantwoordelijk bent voor de fouten van je familie. Je hebt niet zelf die verkeerde keuzes gemaakt. We hadden allemaal in je schoenen kunnen staan. Puur een kwestie van pech of geluk. Er valt niets te vergeven en vergeten.
Gezinus.wolters@gmail.com


