Feuilleton 'Een liefde op de barricades, Parijs 1968'

‘Een liefde op de barricade, Parijs 1968’ – hoofdstuk 2

Hier alweer het tweede hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricades, Parijs 1968’ van Niko van der Sluijs.
Nieuwsgierig hoe het verder gaat? Over 14 dagen vind je hoofdstuk 3 op deze site.

Dit hoofdstuk belichaamt het nostalgisch denken, maar ook de ongewenste verandering.
Het eindexamen HBS stond voor de deur. Een paar weken daarvoor kreeg je studieverlof, om je thuis nog eens door je belangrijkste onderwerpen te laten zwemmen. Een bijna niet te doene opgave voor een aanstormende adolescent, maar eigenlijk nog een puber in een heftige Sturm- und Drangperiode, als je daar tenminste een vrije uitleg aan geeft. Het leven leek ingewikkeld, de tijd kostbaar en toch kon je niets loslaten van het andere leven naast dat van je school. Maar ook realiseerde je je dat dit het einde van een tijdperk was. Een tijdperk, waarvan je droomde, die eindelijk achter je te laten. Toen het zover was, wilde je dat helemaal niet, wilde je terug, alles herhalen. Het tijdperk sloot zichzelf af en dwong je over te stappen in een nieuwe trein met een ongrijpbare bestemming.

2. ‘HBS Blues 1’
‘Eight miles high’

Middernacht. Het licht in mijn kamer veranderde door de zachte rimpelingen van de gesloten gordijnen voor de wijd openstaande ramen. Het was warm, drukkend warm. Ik worstelde mij door één van mijn leerboeken. Beneden hoorde ik het grind naast ons huis knetteren onder de banden van de Harley Davidson. Mijn broer maakte altijd denigrerende opmerkingen over mijn Puch. Ik had besloten nooit meer in de buurt van zijn Kunstacademie te komen. De keer dat ik hem daar iets bracht, werd ik vol medelijden bekeken. Kerels met baarden en leren jassen, haar tot ver over hun schouders, jonge vrouwen met veel bloot en bont en wilde haren, die vlak voor mij kwamen staan. Zij vroegen mijn broer, waarom ik het zo leuk vond om op een spijker met hulpmotor rond te pruttelen. Het waren te gekke meiden, die vast regelmatig hun borsten tegen mijn broers rug pletten, als zij achterop bij hem meereden. Vaak zag ik hem met hen naar zijn kamer gaan of naar het atelier, dat hij van het schuurtje in de boomgaard had gemaakt.

De honden lagen loom in de bijkeuken en maakten geen enkel geluid toen ik de deur uit het slot hoorde klikken. Even later klonken de voetstappen van mijn broer en van een tweede persoon op de trap.

De stilte droeg het gedender van de goederentrein, die iedere avond door Lombardijen reed, tot in mijn kamer. Een paar honderd wielen raasden piepend en schurend over de rails naar het Botlekgebied, Pernis, Europoort, tot bijna in zee waar de logge zeekastelen op de loods lagen te wachten. Ik verwachtte mijn vader daar over twee weken in die rij van ‘bijna thuis, wie wijst mij de weg?’ De scherpe boegpunt van de ‘Statendam’ zou dan uit de golven, tussen het buiswater omhoogkomen en van een stip aan de horizon uitgroeien tot een machtige kolos vol mensen, bemanning en passagiers, die meer dan een week op elkaar aangewezen waren geweest. Mensen, die elkaar hadden leren kennen, tot steun waren geweest, zich aan elkaar hadden geïrriteerd, elkaar waren gaan haten, waren gaan liefhebben en nu elkaar weer verlieten, los moesten laten. Nog één keer de klank van de scheepstoeter en dan was het voorbij. Adressen werden uitgewisseld, om later weer kwijt te raken, of toch een reünie of meer? Mijn vader zou daar op zijn eigen, rustige wijze tussen staan. Hij hield altijd het overzicht, nooit in paniek, een glimlach voor iedereen, maar meedogenloos voor hem of haar, die dwarslag. Dat noemde hij; het zorgvuldig omgaan met je verantwoordelijkheden. Ik had de rust niet om dat allemaal te begrijpen.

Mijn broer kwam zoals gebruikelijk zonder kloppen mijn kamer binnen. Half achter hem verscholen stapte een jonge dame met hem mee. ‘Ben jij op dit tijdstip nog aan het leren, wat een studiebol!’ ‘Over een paar weken beginnen de examens, ik moet nog heel wat doen, jongen.’ Het meisje was naast mij komen staan en stak haar hand uit. ‘Hallo, ik ben Willy.’ ‘Dag ik heet Pieter. Mag jij wel zo laat alleen van huis?’, vroeg ik pesterig. Mijn broer grijnsde. Het meisje bleef mij vrolijk aankijken. ‘Misschien mag jij dat over een paar jaar ook!’, antwoordde zij rustig. ‘Ssst, ik moet leren, jullie storen mij.’ Willy ging op haar knieën naast mij zitten en keek in het boek, dat open voor mij lag. ‘Algra. Inleiding tot het Nederlands Privaatrecht, heb ik ook gehad, wat een ellende! Vind jij dit nou wat? Niet om door te komen toch?’ Ze sprak in korte zinnen, terwijl ze mij met haar open vrolijke ogen bleef aankijken. Haar hand drukte ineens zacht op mijn bovenbeen.  ‘Ben je bang?’ ‘Huh?’  ‘Voor je examen?’ ‘Eh, nee niet echt.’ Terwijl ze sprak schoof haar hand iets omhoog. Ik voelde een reactie in mijn onderlijf. Ik zag dat zij het opmerkte, ik kreeg het behoorlijk warm.

Mijn broer had zich al omgedraaid. Zij fluisterde dicht bij mijn oor: ‘Je hoeft niet te blozen hoor’ en duwde bij het opstaan haar hand opzettelijk in mijn kruis, waar ze hem extra lang liet rusten en zo mijn omhoogschietende pik duidelijk moest voelen. Ze kuste mij met getuite lippen in mijn oor. Haar grote ogen betastten mijn lichaam, waarna ze achter mijn broer aanliep. Lacherig riep ze nog: ‘Slaap lekker.’ Het volgende moment hoorde ik de stilte door het tikken van mijn wekker, daarna hoorde ik een auto voorbijkomen, de banden sisten alsof het wegdek nat was. Niets was minder waar. Het was al dagen snikheet en droog. Morgen zou het nog warmer worden. Ik vloekte voor mij uit. Ik raakte in tijdnood, was natuurlijk veel te laat begonnen met leren. Ik moest nog een boek voor Frans lezen. ‘La Légende de Saint Julien l’Hospitalier’ van Gustave Flaubert. Uit de kamer van mijn broer klonk muziek. Ik luisterde scherp: Dylan, ‘Like a Rolling Stone.’ Ik kon niet meer, voelde de hand van Willy nog steeds tegen mijn kruis, ik deed het licht uit en vol fantasieën masturbeerde ik mij de zwoele nacht in.

Een week voor het eindexamen speelden we in het café op het eiland tussen de bruggen. Iedere keer als we daar optraden, was de zaak afgeladen vol. Het biljart, afgedekt met een dunne skaileren lap, was bezet met mooie meisjes met lange haren en jongens die allemaal op een Rolling Stone wilden lijken. Ons podium, een verhoging in een hoek, was krap en werd nog krapper door het aantal kroeggangers, dat een brede rand ervan bevolkte. Als je het café binnenstapte stuitte je op een muur van blauwe rook, die bestond uit een zoetgeurende walm van hasj en marihuana. Veel bezoekers keken al aan het begin van de avond behoorlijk lodderig uit hun ogen. In het vuur van de muziek sprongen mensen soms zomaar van het biljart of van de zijkant van de bar stoned het publiek in. Lsd-trippers, die dachten dat zij konden vliegen. Het ging vooral los als wij ‘Eight Miles High’ van de Byrds speelden. Het nummer duurde tussen de zes en tien minuten, afhankelijk van het uithoudingsvermogen van Hofje, die in feite één lange drumsolo weggaf, ondersteund door gitaargeluiden, waarin de bas van Julius de overhand had. De tekst sprak voor zich. ‘Eight miles high and when you touch down, you’ll find that its’ stranger than known…Rain gray town, known for its sound. In places small faces unbound…’

Half ontklede meisjes, de laatste tijd steeds meer met kleurig beschilderde borsten, maakten onbeheerste danspassen in de rook van hun joint, kringelend om hun slaphangende oogleden. De een na de andere song zocht zich een weg in de lucht van bier en sigaretten, voor zover je het sigaretten kon noemen. We waren hier bij toeval gaan spelen op uitnodiging van de dochter van de eigenaar, die wij troffen in onze stamkroeg op de Dreef in Rotterdam-Zuid.

Het oude tuindorp van het zuidelijk stadsdeel ging over in een wijk, die op zich weer een dorp vormde met een eigen brink en dorpshuis (Het Zuider Volkshuis), waar onder andere diverse medische diensten gevestigd waren. Op de lagere school was dat gebied voor mij een spookbeeld, omdat ik daar mijn ‘prikjes’ moest halen. Wij, leerlingen van de verschillende scholen uit de omliggende wijken, stonden daar in lange rijen met een opgestroopte mouw om de één of andere vaccinatie naar binnen gepompt te krijgen.

Vanaf de Brink kwam je op de Dreef met daarop ‘Casa’ dat voluit Casa del Vino heette. Casa was het stamcafé van mijn broer. Toen ik een keer met hem meeging was ik met mijn veertien jaar te jong om alleen een café binnen te mogen, laat staan een café te bezoeken met ouder publiek. De bezoekers waren leerlingen uit de hoogste klassen van mijn HBS of studenten van de Kunstacademie, kunstenaars en lieden, die pretendeerden kunstenaar te zijn. Er was weinig licht en op de tafels stonden lege wijnflessen met druipende kaarsen in de hals. De muziekkeuze was vooral jazz, de opkomende populariteit van de Rolling Stones en aanverwante bands werd slechts mondjesmaat toegelaten. Ik vond het te gekke muziek ‘Take Five’ (Dave Brubeck) en Art Blakey’s ‘Gone with the wind’ tegen de achtergrond van artistiek uit hun ogen kijkende pijprokers. De bezoekers van ‘Casa’ hoorden tot de ‘Artistiekelingen’ en dat spoorde niet met de ‘Vetkuiven’, die zich ophielden op de vlakbij gelegen Groene Hilledijk en Beijerlandse laan. De Dreef lag lager en liep omhoog naar die Groene Hilledijk, waar vanaf de ‘Vetkuiven’ naar beneden kwamen op hun ‘buikschuivers’, Zundapps of Kreidlers en wat verdwaalde Berini’s. De ‘Artistiekelingen’, wij, de bezoekers van de Dreef, hadden een duidelijke voorliefde voor de Puch. De ‘ontmoetingen’ met de ‘Dijkers, een andere benaming voor ‘Vetkuiven’, ontaardden nogal eens in een vechtpartij, waarbij regelmatig barkrukken werden gelanceerd. En dan kwam de politie van het bureau Sandelingeplein eraan te pas en werd er hard tegen beide partijen opgetreden. Zowel mijn broer als ik hebben heel wat tijd, één keer zelfs een nacht, op het bureau doorgebracht. En omdat ik, de eerste keer dat ik werd opgepakt, pas vijftien was, mocht ik op mijn vrije middag terugkomen om strafregels te schrijven ‘Ik mag niet vechten’en ‘Ik mag niemands eigendommen vernielen’. Dat laatste sloeg op het schoppen tegen de bromfietsen van de ‘Vetkuiven’ , het gooien met glazen, barkrukken en andere losse rommel. Alle regels moesten vijfhonderd keer worden uitgeschreven. De dienstdoende agent beloofde ons dat het de volgende keer wel duizend regels zouden worden. Met kramp in mijn hand, die doortrok tot in mijn schouder, ging ik afgetobd naar huis.

Maar ‘Casa’ bleef trekken, zeker toen ik ouder werd en er echt bij mocht horen. Steeds meer klasgenoten bezochten het café dat langzamerhand een bluestempel werd in plaats van de klassieke jazzkerk van de jaren ervoor. ‘Casa’ was niet alleen een jazz- of bluestempel, maar ook een leverancier voor de Provobeweging. In onze zo wit mogelijke pakken, waarmee we de school absoluut niet binnen mochten, trokken we naar het centrum van Rotterdam. We liepen mee in de demonstraties tegen de consumptiemaatschappij, tegen het kritiekloze consumerende klootjesvolk. Andere onderwerpen van protest waren de oorlog in Vietnam en de ouderwetse regentenstijl van onze bestuurders. Dan verscheen de politie te paard en op motor met zijspan. Zij sloegen naar alles wat ze konden raken en dreven de demonstratie uit elkaar. We renden alle kanten op, kwamen even later terug en dan begon het feest van voren af aan. Sommigen hadden pech en werden opgepakt en konden de nacht doorbrengen in de kille catacomben van het hoofdbureau van politie aan het Haagseveer. Liftend trokken we naar Amsterdam om mee te doen aan de manifestaties bij Het Lieverdje op het Spui, waar superprovo en kunstenaar Jasper Grootveld zijn rookmagiërs act opvoerde. Daar en op de Dam werd hard geknokt met de politie. Provo predikte vrede, geweldloosheid en anarchie, de overheid sloeg met veel geweld terug. Wij bleven doorgaan met onze demonstraties en ludieke acties. De politie begreep er niets meer van en arresteerde zelfs een meisje, die krenten uitdeelde aan voorbijgangers op het Spui. Wij eisten het recht op demonstratie en riepen dat het in beslag nemen van onschuldige pamfletten en het gestencilde Provoblad een regelrechte aantasting was van de persvrijheid en de vrijheid van meningsuiting. We daagden de politie en de bekrompen autoritaire bestuurders uit met het scanderen van: ‘Hi, Ha, Happening!’ Ze zagen ons als staatgevaarlijk, om je rot te lachen. Zeker na de rookbom bij het huwelijk van prinses Beatrix en prins Claus tijdens de rijtoer door Amsterdam. Het mooiste was wel het witte fietsenplan en het loslaten van een flink aantal witte kippen bij de opening van een tentoonstelling, waarbij ook de schrijver Jan Wolkers betrokken was. De politie greep ook daar idioot hard in. Ik bleef een beetje uit de buurt. Als ik gepakt werd, werd ik van school gestuurd en dat vond ik de moeite niet waard. Wel sloot ik mij aan bij de redactie van een aan Provo gerelateerd blad ‘De Cirkel’, dat in Rotterdam naast Provo, het lijfblad van de beweging, werd verspreid. Pas later werd mij duidelijk dat de kleur wit het symbool was tegen het steeds commerciëler worden van de maatschappij.

De generatie van mijn broer werd opgevolgd door mijn generatie, die andere muziek met zich meebracht. De Stones, Kinks en Pretty Things (‘Don’t bring me down’) en in mindere mate de Beatles verdrongen de heerschappij van de Jazz.
Hoewel mijn broer en zijn kunstmakkers bijna niet meer op de Dreef kwamen, zijn zij ons onverwacht, maar precies op het juiste moment te hulp geschoten. De ‘Vetkuiven’ reden die avond weer vanaf de Groene Hilledijk over de Dreef richting Groene Zoom en dat betekende dat er halverwege de Dreef zwaar weer op komst was. Wij waren met weinig en probeerden de mannen en enkele meegekomen hoog gekapte juffrouwen van ons af te houden. Ik had al enkele rake klappen opgelopen, toen uit de richting van de Groene Zoom een aanzwellend geronk hoorbaar werd en de weg voor het café zich vulde met een rij Harley’s met daarop grote mannen met baarden, vergezeld van mooie dames. De motorrijder, die de troep aanvoerde was in dit geval een dame, die haar motor zonder pardon tegen het achterwiel van een Zundapp parkeerde, waarbij zij duidelijk te kennen gaf niet blij te zijn met de versperring, die de ‘Dijkers’hadden veroorzaakt. Mijn broer zat op de tweede motor. Tergend langzaam parkeerde hij, nadat de dame achter hem was afgestapt, de motor op de standaard. De anderen volgden zijn voorbeeld. De mannen en vrouwen met de leren jassen liepen naast elkaar in een soort slagorde in de richting van de ‘Dijkers’. Even was er onder deze laatste groep vertwijfeling, toen kregen zij een geweldige haast, sprongen in paniek op hun brommers en probeerden zo snel mogelijk weg te komen. Niet iedereen slaagde daarin en sommigen kregen tijdens de vluchtpoging een aardig aantal petsen te verwerken. Van mijn broer hoorde ik later dat de mensen op de Harley’s de ‘Vetkuiven’ nog opgezocht hebben in hun vertrouwde omgeving, waarna de ‘buikschuivers’ links en rechts de straten achter de Beijerlandselaan waren ingevlucht.

Ik had altijd een bijzonder gevoel van opwinding als ik naar de Dreef ging. Die sfeer, dat rare gevoel in je onderbuik, de eeuwige onrust of de ‘Vetkuiven’ weer kwamen om te vechten. Op zich gebeurde dat niet veel, het gevoel was er altijd wel. Maar het was meer het gevoel erbij te horen. Daarbij kwam nog die ondefinieerbare betovering door de muziek. De Dreef was ook de plaats waar mythevorming werd gecreëerd. Harry Buut, een klasgenoot, die al veel eerder dan ik ‘Casa’ frequenteerde, was zo’n figuur. Harry was alleen al bijzonder, omdat hij regelmatig bij de directeur op het matje moest komen vanwege zijn lange haren. Waar wij net op tijd en na veel gezeur van onze ouders een kapper opzochten, bleef Harry altijd even langer wachten met alle gevolgen van dien. Harry was een held.  En dan Robbie Prins, die plotseling was verdwenen, om na maanden weer vrolijk ‘Casa’ en de school binnen te stappen. Het gerucht ging dat hij gepakt was in Athene met een flinke hoeveelheid hasj of marihuana en een tijdje vast had gezeten. Rob was ook zo’n held, die altijd bewonderaars om zich heen had, al dan niet om drugs van hem te kopen. Hoe Rob zelf aan die spullen kwam, was voor ons een raadsel.

Bij dit alles moest ik denken aan kleine Jan, onze dappere lilliputter, die een alom gerespecteerd bestaan afdwong in het café. Hij was een prachtige kerel. Over hem ging het verhaal, dat hij bij een ‘aanval’ van de ‘Vetkuiven ‘alleen in ‘Casa’ was achtergebleven, terwijl de rest zich achter het café had verschanst. De naar voren geknipte domkoppen waren volkomen verrast, toen zij alleen onze Jan aantroffen, die met een minuscuul zakmesje de indringers uitnodigde de strijd met hem aan te binden. Niemand bewoog, niemand durfde. Daarna kwam iedereen achter ‘Casa’ vandaan en brak de hel los, waarbij kleine Jan zich zeker niet onberoerd liet.

Van kleine Jan dwaalden mijn gedachten langzaam weer terug naar de ontmoeting met Hanna, de kasteleins’ dochter van het eiland. Zij vertelde ons in ‘Casa’ dat zij onze band had zien spelen en nodigde ons uit om ook een keer tussen de bruggen op te treden. En dat werd niet één keer, maar veel vaker. We hadden een enorm enthousiast gehoor, ondanks de roes waarin veel mensen verkeerden. Dat was extra het geval bij het nummer van The Pretty Things, ‘LSD’! Een song, die we alleen hier ten gehore brachten, omdat Lian, de tuttige, nieuwe vriendin van Jan Prins bezwaar had tegen dit nummer. En hier was zij er niet bij.

We trokken het repertoire van de The Pretties door: ‘Don’t bring me down’ en ‘Road Runner’. Het publiek swingde, ik voelde mij heerlijk high worden, maar dan door de muziek. I’m a road runner honey…. Ineens kreeg ik het gevoel alsof mijn hart een keer oversloeg. Pontificaal vooraan, recht voor mij stond John achter het kleine meisje met die prachtige lange zwarte haren. Zijn armen om haar heen, zijn handen rustten half onder, half op haar borsten. Ik slikte, er trok een vreemd gevoel van jaloersheid door mijn lijf. Joyce keek weer onbevangen recht in mijn ogen. Ik zag opnieuw die donkere, glimmende kijkers, die zich rechtstreeks in mijn ziel boorden. Ze lachte lief in mijn richting, maar wat betekende dat? Waarom stond ik daar niet, waarom mocht ik mijn armen niet om haar heen houden? Ik wilde met haar wegrennen naar het water en wegvaren, de Maas afzakken, in elkaars armen het lange donker in. Ik vergat bijna de juiste akkoorden te spelen. Ik bleef maar naar haar kijken. Zij moet mijn hunkerende blik hebben gezien. Ook zij bleef kijken en lief lachen tot John haar naar achteren trok. Samen verdwenen zij in de menigte en gingen op in de rook. Ik bleef haar beeld voor mij zien.’Paint it black’ werd door ons ingezet, hoe toepasselijk. Voor mij was alles zwart geworden nadat Joyce uit mijn beeld was verdwenen.

De laatste lesweek op de HBS trok ik moeilijk. Ik ging altijd op de fiets, omdat onze directeur het niet beliefde, dat zijn jongelui de fietsenstalling besmetten met stinkende en lekkende bromfietsen. Of zoals hij het zo mooi kon zeggen: ‘er worden hier geen rijwielen met hulpmotor toegelaten.’ Ik had de route, door mijn doublure in jaar twee, zes jaar lang afgelegd, maar alles leek plotseling anders. Nog even en dan fietste ik hier niet meer, was dit voorbij, was mijn HBS-tijd voorbij en mijn zekerheid weg.
De zon scheen volop, maar voor mij was alles somber. Voor het laatst de weg langs het nooddorp, waar ik zo vaak speelde met mijn vriendjes van de lagere school. Een dorp waar nauwelijks een auto stond en waar geen doorgaand verkeer was op een incidentele stadsbus na. Waar je op straat kon voetballen zonder gestoord te worden door een koster of een veldwachter.

Daarna moest ik de Buitendijk over fietsen naar het Rotterdam-Zuid van mijn lagere school, waar we vroeger lopend naar toe moesten. Op de dijk ventte in die tijd een griezelige groenteboer zijn groenten en fruit uit met paard en wagen. We aaiden toen het te magere paard en scholden de man uit voor dierenbeul en als we de kans kregen jatten we de appeltjes onder zijn neus vandaan. Net goed, hij verdiende bestolen te worden. Ik zag hem woedend met zijn vuist in onze richting zwaaien, terwijl wij ons springend over het smalle slootje onder aan de dijk uit de voeten maakten.
Nu leek het gras langs de dijk, ondanks het jaargetijde, grijs. Dat was ook bij het witte gebouw van mijn vroegere lagere school, dat in mijn ogen niet meer oplichtte in de schittering van de zonnestralen, maar het lege decor vormde van een voltooid verleden tijd. De grote kerk met het imposante groene kruis, die ik passeerde, als een baken op weg naar school beschouwde, oogde grauw en oud, net als de bogen van het Feyenoordstadion achter de brug over het spoor.

Fietsend over de Randweg en de Hillevliet keek ik met weemoed om mij heen. De singels met de gevlochten eendennesten midden op het water, de zwanen in de zomer en schaatsende mensen in de winter. De Hillevliet met de ULO, MULO  en daarna de Ambachtsschool. Veel van mijn vrienden en vriendinnen hadden op één van die scholen gezeten. We zwaaiden altijd naar elkaar, waarna het laatste stuk werd doorgetrapt naar het oude Afrikaanderplein. Het plein met onze HBS, het plein met de markt, het plein met de Huishoudschool aan de overkant en het nonnenklooster aan de achterkant. Het plein midden in de vooroorlogse wijk, die voornamelijk werd bewoond door havenarbeiders en zeelieden. De wijk die uitliep in de havens, de Maashaven en de Rijnhaven met daar tussen het schiereiland Katendrecht, waar we tijdens een tussenuur hoertjes gingen loeren om vervolgens weggejaagd te worden door de dienstdoende pooiers. De Maashaven leunde zwaar tegen de betongrijze graansilo’s, waar het graan in een eeuwige stofwolk werd overgepompt van zeeschepen in rijnaken en soms andersom. De kade van de Maashaven aan de overkant van de silo en de kaden van de Rijnhaven waren de bestemming van de vele vrachtschepen, die hun lading overdroegen aan de binnenvaartschepen, die rijen dik in die havens lagen afgemeerd. De kade waar bananenboten werden gelost en waar mijn klasgenoot Jan-Willem en ik graag bij waren. Met grote grijpers werden de trossen uit de zeeschepen gehesen en in een binnenvaarder of een spoorwagon gemanoeuvreerd. Vaak viel er een tros in het water en die was dan voor de eerlijke vinder. Slechts gekleed in een onderbroek doken wij dan het water in om de bananen eruit te vissen. Niemand eiste ooit de trossen op, die we uit het water haalden en vervolgens verkochten aan de marktkooplieden op het Afrikaanderplein. Zij rijpten de nog groene bananen in kranten en verkochten die in de prachtige gele kromming aan hun klanten. Zo verdienden wij een aardig zakcentje. Het nadeel was, dat we de rest van de dag met een natte onderbroek liepen, waardoor het vocht door onze broeken werd geperst en voor iedereen te zien was. Dat heeft ons nogal wat commentaar opgeleverd en zelfs een berisping van onze directeur, waardoor wij onze expedities een tijdje stil hebben moeten leggen.

Na de Rijnhaven kwam uiteindelijk de Nieuwe Maas zelf. Daar was de Wilhelminakade, de thuisbasis van de Holland-Amerika lijn, waar mijn vader meestal terugkwam of wegging. De Wilhelminakade was ook de kade waar de zakkenhandel van Spaan was gevestigd en waar Jan-Willem en ik een vakantiebaantje hadden. Wij verdienden daar stukken meer dan met die duffe kantoorbaantjes, die de meeste kakkers uit onze klas prefereerden. Het schoonmaken en stapelen van juten zakken was niet erg inspirerend, maar het stoeien met de zakkennaaisters op de zolder maakte een hoop goed.

Voorbij. Alles ging voorbij. Ik maakte een draai naar rechts en fietste door het hek naar de fietsenkelder, waar de oude stallingbaas, die op de fietsen paste en waar nodig je banden plakte, al lang was verdwenen. Voorbij, alles ging voorbij.

Niko van der Sluijs

Related posts
Feuilleton 'Een liefde op de barricades, Parijs 1968'

‘Een liefde op de barricade, Parijs 1968'- hoofdstuk 1

In het boek ‘Een liefde op de barricade, Parijs 1968‘ vertelt Niko een verhaal, dat zich…
Lees meer

EXCLUSIEVE TOEGANG

Word lid van VOM HU

Als lid van VOM HU blijf je verbonden met oud-collega's om ervaringen, geluksmomenten en (persoonlijke) kennis te delen.




LID WORDEN