In het boek ‘Een liefde op de barricade, Parijs 1968‘ vertelt Niko een verhaal, dat zich afspeelt in de jaren 1967 en 1968. Een verhaal over een liefde midden in een veranderende tijdgeest, een tijd van protest, waar jongeren in Europa en Amerika zich vrij maakten van de conservatieve regels, opgelegd door de erfgenamen van de Tweede Wereldoorlog. Een verhaal waarin muziek een belangrijke rol speelt. (luister mee of na op bijvoorbeeld Spotify)
Het boek beschrijft in het eerste deel de Rotterdamse bandcultuur van de jaren zestig, gerelateerd aan de veranderde tijdgeest. Een tijdgeest, die ook de behoudende muren van de HBS langzaam doorbrak. De veranderende jeugdcultuur van de jaren zestig kwam enerzijds voort uit de groeiende welvaart. Er was meer (zak)geld en meer vrije tijd. Er ontstond een eigen op teenagers gerichte consumentenmarkt: tijdschriften, muziek en kleding (eigen ‘boetieks’). Anderzijds zetten de jongeren zich af tegen de ouderwetse normen van hun ouders. De verzuilde samenleving met de strenge, conservatieve regels brokkelde af. Kerk en traditionele organisaties kregen steeds minder grip op de jeugd. Televisie en radio brachten internationale trends, waaronder de popmuziek (Beatles, Stones, Kinks, Byrds, Bob Dylan e.a.). De ‘babyboomgeneratie’ verzette zich collectief tegen de soberheid en morele standaarden van de naoorlogs generatie. Er ontstonden subculturen, bewegingen zoals Provo, Kabouter, Hippies.
De jaren zestig zijn voor velen van ons de periode waarin we onze jeugd beleefden. Het boek van Niko leest dan ook als een ware ‘Trip down memory lane’. De komende weken publiceren we elke twee weken een nieuw hoofdstuk van het boek op onze website. Vandaag het eerste hoofdstuk.
Inleiding Hoofstuk 1.
De bands.
Rotterdam had midden jaren zestig een eigen, actieve muziekscene ontwikkeld met tal van lokale bands die optraden in cafés, jeugdcentra en dancings. De muziek was veelal gebaseerd op de Beatles en Rolling Stones, maar ook andere buitenlandse bands werden vaak gecoverd.
1 ROTTERDAM- Zuid ‘SIXTIES’
‘Bring it on home to me’
Al in haar eerste uren lag de woonwijk er troosteloos bij. De grauwe, in de afgelopen jaren opgetrokken galerijflats vervuilden de avond met hun vele lampen. In de trappenhuizen en op de galerijen was zinloos veel licht, slecht licht. Na enkele maanden stonden de meeste lampen op springen en toonden zenuwachtig knipperend de armoede van de revolutiebouw.
De wijk Lombardijen in het diepe zuiden van Rotterdam. De naam roept associaties op met het prachtige noordelijk deel van Italië, waar de Alpen zich langzaam naar beneden uitstrekken en zich te rusten leggen in de schoot van de Povlakte.
In Lombardijen leek niets op mooi. Zelfs de straatnamen, Spinozaweg, Dantestraat, Cicerostraat en Catullusweg, die het gevoel moesten oproepen van het roemruchte Italiaanse verleden, bereikten het tegenovergestelde. De wijk deed eerder denken aan de ondergang van het Romeinse Rijk dan aan een glorieuze stadsvernieuwing. Alles was in een razend tempo uit het veen gestampt. Op de plaats waar ik enkele jaren geleden nog over onverharde paden tussen smalle sloten en breed uitgemeten landerijen naar de HBS fietste, stonden inmiddels uit grijze stenen opgetrokken vier verdiepingen hoge, foeilelijke galerijwoningen. In de schaduw daarvan werden saaie aaneengeschakelde eengezinswoningen gebouwd, met een tuintje. De huizen aan de rand van ons oude dorp, langs de weg die naar de brug liep, verloren hun bewegingsvrijheid en het ruime uitzicht door de nieuwe bewoners, de indringers op het terrein van mijn jeugd. Daar waar wij onbeperkt kind konden zijn. Een tijd waarin wij appeltjes jatten, slootje sprongen, schotsje wipten en ‘diefje met verlos’ speelden. Mijn jeugd speelde zich af tussen de uitgestrekte weilanden, bonenakkers en aardbeienvelden. Het lange pad langs de vuilverbranding tot aan de rivier was niet meer ons pad. We moesten het delen met de vele nieuwkomers, op weg naar het recreatiestrand van de Oude Maas. Een rivier vol muien, waarin het vroeger verboden was te zwemmen. Wij deden dat stiekem toch en moesten regelmatig piemeltje naakt tussen het prikkende struikgewas duiken om aan de veldwachter te ontkomen.
De oude, slecht remmende stoomtram (bijnaam: het moordenaartje), die in al haar traagheid de nodige verkeersslachtoffers had gevergd, was met spoor en al uit het landschap verdwenen. Een nieuwe doorgaande snelweg was al gepland. Alles werd anders door de woningnood en de noodzakelijke sanering van de oude verzakte nooddorpen, die na de oorlog her en der waren verrezen. En niet te vergeten door de denkbeelden van de nieuwe lichting stedenbouwkundigen, de snelle woningstapelaars. De keizers van de sociale woningbouw, die iedereen zo snel mogelijk in een nestje wilden hebben. De woningnood moest worden teruggedrongen, maar wel goedkoop. Revolutiebouw op snel geslagen palen, waarlangs in allerijl rioleringen – ‘grespijpengrijs’- werden gelegd. Pijpen die, al snel lekkend door gaten en scheuren, met klodders cement werden afgedekt. De putlucht hing al vanaf het moment van oplevering in de trappenhuizen.
Ik liep op mijn weg naar het wijkgebouw langs de kelderboxen, die het souterrain vormden van de meeste woonblokken. Aan het eind van het blok bereikte ik de winkels, die onder twee aaneengesloten gebouwen waren gepropt. Ik liep de snackbar binnen. Jenny werkte daar. Ik was daar niet echt voor Jenny, maar meer voor haar zusje Betty. Ik vroeg Jenny of zij wist wat Betty vanavond ging doen. Gisteravond hadden we ruzie, wist Jenny dat? Jenny wist niets. Zij bood mij een kroket aan. ‘Lekker joh, is goed voor je zaad.’ Ik sloeg lachend haar geweldige aanbod af en vertrok.
Het plein voor het wijkgebouw werd volledig in beslag genomen door mijn leeftijdsgenoten, die dans- en vrijlustig op onze muziek stonden te wachten. Al twee jaar waren we in Rotterdam en omstreken behoorlijk bekend en was het aantal optredens inmiddels vertienvoudigd. Dat hadden we voor het grootste deel te danken aan die maffe Gerrit, die zich tot onze manager had gebombardeerd. Door zijn toedoen kregen we een busje en twee ‘roadies’, die ons en de instrumenten een volledige verzorging gaven. Ik groette een aantal bekenden en keek om mij heen of ik Betty zag. Mijn ogen gleden langs de slingerende rij mensen op het plein, die zich uitstrekte van de stoeprand tot onder de overkapping boven de smalle ingang.
Het grijsbruine wijkgebouw leunde in volle harmonie met haar grauwe omgeving tegen een kaarsrecht gegraven singel met aan de overkant daarvan een grijze galerijflat met veel te kleine balkons. Op één daarvan ontwaarde ik de contouren van mijn oude grootmoeder. Oma was dik in de negentig en niet voor een bejaardenhuis of erger te vangen. Zij zag het zonnetje nog altijd in het water schijnen en bleef ondanks haar hoge leeftijd en aangeboren doofheid altijd vrolijk.
Op haar afgelopen verjaardag had ik Betty meegenomen. Zij moest door haar lange blonde haren en haar minirok onmiddellijk de afkeurende blikken van mijn zuur kijkende tantes trotseren. Mijn vrome omes waren daarentegen zeer galant. Zij vroegen haar van alles om maar van zo dichtbij mogelijk haar mooie dijen te kunnen zien. De brillenglazen van mijn oom Frans dreigden te beslaan. Zweetdruppels parelden op zijn gezwollen neus, die hij bij herhaling in de hals van Betty stak. Hij probeerde wel erg opzichtig een glimp van haar borsten te vangen. Betty noemde het griezels, die eigenlijk wel aardig waren. Ik noemde het oude viezeriken, die waarschijnlijk nog een behoorlijke echtelijke woordenwisseling hebben gehad na ons vertrek. Natuurlijk vond mijn moeder, dat we veel te kort waren gebleven. Ik kon het echt niet opbrengen om langer in die kleffe sfeer te zitten, waarin familieleden elkaar aanspraken met broeder, zuster of priester. Voor mij mochten ze dat belachelijke geloof van hun voor zichzelf houden. Mijn oma trok zich nergens wat van aan, was gewoon aardig. Zij kwam met een extra gebakje voor de jongelui die er nog van moesten groeien. Zij tikte ons bij het weggaan bemoedigend op de schouder. ‘Kom nog eens langs als er verder geen bezoek is, dat vind ik gezellig.’
‘Beloofd oma’, schreeuwde ik richting haar oren. Ze knikte en zwaaide ons uit toen wij over de galerij naar het trappenhuis liepen…
In gedachten verzonken had ik de groene deuren van het wijkgebouw bereikt. De drukte bij de ingang was groot en de jeugd, die het meest vooraan stond, duwde met vol gewicht tegen de deuren. Door het raam zag ik de forse silhouetten van onze onverstoorbare ‘roadies’. Ik bedacht mij, dat als ik nu naar binnen zou gaan, het een puinhoop zou worden. Het kleinste kiertje zou voor de menigte een uitdaging zijn om zich naar binnen te vechten. Ik besloot te wachten. Een paar meisjes botsten giechelend tegen mij aan. Veel te lang bleven zij mij met een vuurrood hoofd aankijken. Ik probeerde bekenden te zoeken, maar zocht toch vooral naar Betty.
Een klein, donkerharig meisje met felle bruine ogen trok mij aan mijn arm en vroeg of ik een kaartje voor haar had. De avond was uitverkocht. Weken voor wij ergens kwamen, was er al vraag naar kaartjes. Het meisje had een prachtig figuur, haar rondingen waren perfect in verhouding met haar lengte. Haar lange zwarte haren hingen sluik over een smal wit gezicht. De mooie, grote ogen die mij doordringend aankeken, waren gedrenkt in tederheid. Naast haar stond mijn klasgenoot John, die mij met een grote grijns vanachter zijn dikke brillenglazen begroette en daarbij nog even een korte klap tussen mijn schouder en borstbeen plaatste.
‘Hé, die Pieter, kunnen we wat bij je regelen? Ik heb maar één kaartje en van de week ontmoette ik deze lieverd. Het is een gok, maar het moet toch mogelijk zijn haar naar binnen te krijgen.’ ‘Wat had je verzonnen als je mij niet had gezien?’ ‘Ik zie altijd wel iemand van jullie en wat kan zo’n lief klein meisje nou te veel zijn?’ We lachten voor ons uit. John was één van onze meest trouwe fans. Hij behoorde tot de vaste bezoekers van onze stamkroeg op het eiland tussen de bruggen, waar wij al sinds ons derde HBS jaar de meest regelmatige bezoekers waren. Inmiddels waren we daar, naar het leek al eeuwen, de huisband. ‘Oké, ik kan haar wel naar binnenloodsen. Betty is er nog niet en die komt er toch wel in.’
Mijn laatste woorden bleven nagalmen in mijn oren. Ik miste die meid, waarom was ze er niet? Was ik er wel zo zeker van, dat ze nog zou komen? Verdomme, zo erg was die ruzie toch ook weer niet. Hoewel even was zij bloedlink geworden, toen ik het over Anja had. Maar mijn verhouding met Anja was al lang verleden tijd. Er was niets meer tussen ons, natuurlijk waren we nog klasgenoten, maar daar kon ik niets aan veranderen. Anja had al bijna een half jaar een relatie met die droogstoppel van een Huub. Eerlijk gezegd verlangde ik nog wel eens naar die kleine, donkere Anja. Stiekem zat ik in de klas naar haar te gluren, als zij met haar knappe gezicht en die zo aantrekkelijke, mooie mond, boven het zoveelste proefwerk hing. Dan voelde ik weer de warmte van haar lichaam. Ik voelde haar lieve, lachende lippen, maar ik heb het verpest, gewoon verpest…
Betty was gisteren echt jaloers, omdat ik zei dat Anja een ultrakorte jurk aan had. Ik vond dat zij er te gek uitzag. Natuurlijk werd ze door die preutse, ouderwetse scheikundeleraar de toegang tot het lokaal ontzegd. Anja was woedend op die man. Boos was ze nog mooier had ik tegen Betty gezegd.
De deur ging open, jonge dansgrage mensen vochten zich naar binnen. Ik pakte de hand van het meisje met de lange donkere haren, waarvan ik nu pas zag dat die tot haar middel reikten en duwde haar voorzichtig voor mij uit in de richting van de deur, waar roadie Rob mij met een grote grijns stond op te wachten. Zijn ogen beoordeelden de situatie, een vette knipoog dwong mij die op eenzelfde manier te beantwoorden. Binnen liet ik de kleine schoonheid los. Zij keek schuin omhoog en bedankte mij. Even drukte ze haar wang tegen mijn arm. Een aangenaam warme wang; wat een mooie meid, John had geluk. Anja was mooi, Huub had geluk. Betty was ook mooi, maar waar bleef dat mens?
Ik sprintte het podium op. De jongens waren al aan het stemmen, terwijl ik nog liep te dromen in de bergruimte tussen de twee kleine kleedkamers en het krappe podium, waarop de instrumenten waren uitgestald. Ik wurmde mij tussen Julius, onze gezette basgitarist, en het drumstel van Hofje door, hing mijn gitaar om en keek schuldbewust in de richting van onze bandleider Jan Prins. Zijn gezicht sprak boekdelen; wij stemden zonder iets te zeggen.
De podiumverlichting ging aan, verblindde mij en met een spiraal van rood en blauw opgloeiende lichtvlekken in mijn ogen gooide ik de eerste tonen van ‘Get off of my cloud’ de donkere zaal in. Ik zag slechts silhouetten van dansende lijven. Zanger Wilfred zong en sprong alsof hij in de huid van Mick Jagger was gekropen. Iedere beweging, ieder maniertje werd tot in het kleinste detail gekopieerd. Het publiek was dol op hem. Er werd gejoeld en meegezongen. Ik ging volledig op in de muziek, mijn mond ging automatisch naar de microfoon:
‘I said, hey you, get off of my cloud. Hey you, get off of my cloud. Hey you, get off of my cloud. Don’t hang around cause two is a crowd.’
Het ging weer goed, rillingen liepen over mijn rug, de avond was begonnen. Jos, klasgenoot en medebandlid knipoogde, met een grote grijns op zijn gezicht, veelbetekenend in mijn richting. Zijn pretogen schitterden achter zijn dunne brilletje. Wij waren een soort symbiose: samen sloegen we ons door de HBS-jaren, samen kregen we straffen, deinsden wij niet opzij voor een goede grap en samen bespraken wij de dames, die ons pad kruisten. Hij tuitte zijn lippen naar de rand van het podium. Betty glimlachte over het voetlicht en zwaaide naar ons. Ik lachte opgelucht terug… Mijn stem klonk onwillekeurig enthousiaster: ‘Hé you…’ Jos en Jan ondersteunden in de andere microfoons, we genoten…
Ons beginrondje was Stones: 19th nervous breakdown, Ruby Tuesday, Mothers little helper, It’s all over now, Play with fire… Het laatste nummer was het ideale nummer voor verliefde koppels. Op het linoleum werd flink geschuiffeld, sommige paren verstrengelden zich tot een amorfe massa. Vlak voor het podium danste Betty met haar armen om de hals van een onbekende blonde jongen, haar hoofd leunde op zijn schouder. Ze loerde naar mij en trok een ondeugend gezicht: ‘so don’t play with me, ‘cause you’re playing with fire.’ De jongen drukte zijn neus in haar hals, zij trok haar hoofd iets terug. Het was haar spel, dat zij zo graag speelde. Ik werd jaloers.
In de pauze bedekten twee zachte handen mijn ogen, onverwacht stond ze achter me. Ik was op het podium gebleven om een snaar te vervangen. Ik draaide me om en kuste haar op haar onweerstaanbare, brede mond. Ik vroeg niets, zij sprak nergens meer over, onze tongen speelden krijgertje, hadden geen tijd om te praten.
Met ‘Heart of stone’ werd de laatste fase van ons optreden ingezet, slijpen, schuifelen, slow swingen, de zaal was in trance, vervolgens een keiharde ‘Paint it black’ en dan was ik aan de beurt, solo. De andere bandleden gingen de zaal in en schuifelden mee. Voor Julius, Wilfred en Hofje, die geen vaste vriendin hadden, was het Luilekkerland, uitzoeken, meisjes stelden zich op in rijen van drie, de band kwam naar beneden. Zittend op een kruk zong ik,’ It is the evening of the day, I sit and watch the children play, smiling faces I can see, but not for me, I sit and watch as tears go by…’
Vlak voor mij danste Betty met diezelfde blonde knul. Achter hen zag ik voor het eerst die avond het donkere meisje weer terug, haar armen omhoog, haar slanke vingers raakten elkaar in het korte nekhaar van John. John had zijn ogen dicht, het meisje keek open in mijn richting. Een vlinderachtig gevoel bekroop me, het duurde niet langer dan een paar seconden, het was er wel degelijk. Ik keek haar strak aan: ‘as tears go by…’. Ze glimlachte naar me, ze sloot haar ogen een paar seconden en keek mij vervolgens recht in het gezicht, haar ogen glinsterden in het halfdonker, het leek of ze vol tranen stonden, een rilling marcheerde over mijn rug.
Er was vanavond uiteraard een toegift. Meestal speelden we drie tot vier nummers extra, herhalingen, of nieuw, of op verzoek, als ons repertoire het toeliet. Vanavond was er vraag naar de Kinks: ’Tired of waiting for you’, ‘All day and all of the night.’ Het voorlaatste nummer van de avond werd zonder mij gespeeld. Nu ging ik de zaal in om te dansen. De laatste tijd danste ik meestal met Betty, maar de blonde jongen hield haar arm stevig vast, ze twijfelde. Ik liep recht naar John en zijn nieuwe vriendin. ‘Ik mag ‘r toch wel lenen voor één dansje?’ John lachte en spreidde zijn armen, ‘be my guest.’ ‘Wil ik dat dan ook?’, klonk het naast mijn schouder. Het meisje keek mij strak in de ogen, geen lach, geen glimlach, boze ogen. Een ogenblik was ik uit het veld geslagen. Ik stak mijn hand uit. ‘Sorry, ik had het eerst aan jou moeten vragen, dat spreekt voor zich, maar ik weet je naam niet en om je met -hé meisje- aan te spreken vind ik niet passen. Ik heet Pieter, mag ik deze dans van je?’ Ze lachte nog steeds niet, haar ogen toonden geen spoor van dooi, een ijskonijn! ‘Een dans mag ik je niet weigeren en ik ben je nog wel wat verschuldigd.’ Ze stak haar hand uit, glimlachte naar me en stelde zich aan mij voor: ‘Joyce.’
The Animals: ‘Bring it on home to me’. Ik voelde haar lijf voorzichtig tegen mij aan bewegen. Haar heerlijke geur vermengde zich met een waaier van danszweet. Het gaf haar iets exotisch. Ik liet mijn handen losjes op haar heupen leunen en probeerde haar in de ogen te kijken. Joyce staarde recht naar mijn T-shirt, leek zich ongemakkelijk te voelen. Ik neuriede zacht voor mij uit, ‘If you ever change your mind…’. Joyce keek op. ‘Goeie band!’ Haar stem paste volkomen bij haar frêle verschijning.
Ik probeerde ‘dank je’ te zeggen, maar ik moest drie keer kuchen om een plotseling opgekomen schorheid kwijt te raken. Ik drukte mijn lichaam iets meer tegen haar aan. Zij weerde niet af. Ik voelde haar schaambeen tegen de onderkant van mijn rechterdijbeen bewegen. Ik gaf iets druk. Zij keek naar mij op met toegeknepen ogen, veinsde boosheid, maar duwde ondanks dat haar hoofd tegen mijn borst en drukte zich nu ook wat steviger tegen mij aan. We dansten zonder woorden, zochten het ophitsende gevoel, dat voortkwam uit een combinatie van muziek en fysiek contact. Mijn pik begon benauwd omhoog te kruipen; ik stapte iets achteruit. Ergens schaamde ik me om ongegeneerd mijn lid tegen haar buik te drukken, het opzwepende spel dat ik wel altijd met Betty speelde. Weer keek ze zwijgend omhoog. Ze glimlachte opnieuw naar me. Haar vochtige ogen leken vol kristallen. Joyce kneep in mijn hals en drukte haar buik stevig tegen mijn harde pik. Ik ontplofte bijna…’Bring your sweet loving, bring it on home to me…. yeah, yeah, yeah…’.
Ik liep met haar terug naar John, bedankte haar, maakte nog een lolletje en ging terug naar het podium. Ik keek nog één keer om. Zij niet, zij was alweer vrolijk onderweg richting dansvloer met haar John voor het slotnummer: The Animals ‘I’m crying’…I’m crying, hear me crying’.
Onze voetstappen weerkaatsten in het kille, betonkale trappenhuis. De weg naar boven leek een wandeling door een leeg zwembad. Jos en Jan Prins waren er niet bij. Jan was naar de snackbar, naar Jenny, die tot sluitingstijd moest werken. Jos was vertrokken naar zijn Margot, zangeres bij een jazzband, die vanavond in het centrum van Rotterdam optrad.
Onze manager Gerrit opende de deur van de flat van zijn ouders en broer Julius. Hofje liep niet mee naar de woonkamer, waaruit Gerrit ons vragend toeriep, of wij wat wilden drinken. Betty en ik bestelden Cola en liepen met Julius en een voor mij onbekend meisje richting bankstel. Hofje was met zijn buurmeisje Jaenette de slaapkamer ingedoken, direct links in de hal. Wilfred glipte met een zekere Anny de volgende slaapkamer in, die van Julius. Op de bank begonnen de onbekende jongedame en Julius heftig te vrijen, terwijl Gerrit, alweer zonder verovering, jaloers loerend de drankjes neerzette. Betty begon ongemakkelijk in mijn richting te schuiven. Ik sprak bewust alleen tegen Gerrit zonder aandacht aan haar te besteden. Ze begon mij in mijn oor te bijten. Ik kletste om haar te pesten gewoon verder. Gerrit stond op, om een plaat op te zetten. Op het moment dat hij zijn rug naar ons toedraaide, trok ik Betty met mij mee. De ouderlijke slaapkamer was nog vrij.
lk liet mij achterover op het bed vallen. Betty plofte lacherig naast me. Al snel zochten onze tongen elkaar, verstrengelden, proefden het zoetzoute speeksel gemengd met de smaak van Cola en Betty’s sigaretten. De prikkelende nicotinesporen deden mij even slikken, oud as tartte mijn papillen. Ik stroopte haar T-shirt op en drukte op de voorsluiting van haar beha. Haar stevige, al volle borsten sprongen naar voren, ik liet mijn handen erover glijden. Halfzittend begonnen we aan onze kleding te rukken. Onze ademhaling begon behoorlijk hoorbaar te worden. Na een korte maar hevige strijd lag ik alleen nog gekleed in een T-shirt achterover op het bed, Betty had niets meer aan haar lijf. Haar mooie lichaam kroop voorzichtig op mij. Wij begonnen te rollen, te zoenen, te graaien…
‘Heb je wat bij je?’ ‘Natuurlijk!’ Enkele tellen later paste zij mij vakkundig een condoom aan. Voorzichtig ging zij op mijn onderlijf zitten en liet mij langzaam toe in de warmte van haar intimiteit. Onze lijven dansten in een onstuimig ritme. ‘Kijk naar me als je klaarkomt, ik wil je ogen zien’, siste ze in mijn oor. Ik zoog mij vast aan haar heerlijke lippen. Alles was nu zo anders dan de eerste keer. Zij had niets gezegd, begon te huilen, toen ik mij in haar drukte en een zacht ‘au!’ aan haar lippen ontsnapte. Ik stopte, er was een beetje bloed. Later ging het steeds beter.
Hofje zette altijd streepjes op zijn keldermuur, als hij een meisje had ontmaagd, er stonden inmiddels heel wat streepjes. Ik kwam niet verder dan twee, misschien drie of hooguit vier. Van Anja en Betty was ik zeker, maar van anderen niet echt. Haar losse haren slierten door mijn bezwete gezicht. Ik verstopte mijn ogen in het warme donker van haar slanke hals. Ineens zag ik de blonde haren veranderen in donkere strepen, waartussen een gezicht van een meisje was getekend, die mij open aankeek, haar ogen vochtig glimmend, een brede mond met dunne lippen, die mij plotseling kusten. Joyce glimlachte, draaide zich om en gleed weg in een wit, ovaal gat. Betty zoende mij vol op mijn mond, in verwarring werden mijn bewegingen heftiger.
‘Wat doe je, wacht, kijk naar me, o wacht, kijk naar me!’ Betty sprak hijgend, waardoor haar woorden mij slechts in flarden bereikten. Ze aarzelde, maar zwichtte samen met mij in een apotheose, gevormd door een alles uit je lijf trekkend gevoel, dat overging in een veelheid van felle en vervolgens langzaam wegebbende kleuren. De deur vloog open, terwijl wij nog verliefd in elkaars armen lagen.
‘Hé, kom eruit, we gaan een patatje halen.’ Breed grijnzend stond Hofje in de deuropening. Een gevuld condoom bengelde tussen duim en wijsvinger. Jeannet hing met een vuurrood hoofd tegen zijn schouder. Toen wij de slaapkamer uit kwamen, stonden de anderen op het balkon. Op het pad tussen de grasperken liet een man zijn hond uit. Hofje mikte en met een sierlijke boog suisde het condoom naar beneden en spatte op de grond achter de wandelaar. De man draaide zich met een ruk om. Even staarde hij naar het weke geleiachtige rubber om vervolgens in het donker naar boven te loeren, Hofje zwaaide triomfantelijk en riep naar mij: ‘dat lukt jou nooit, jongen’. ‘Dan probeer ik het ook maar niet.’ Ik deed de deksel van de vuilnisbak open. Het was net alsof een geelachtig weekdier zich nestelde in het papieren hart van het, met uitgedroogde bruine substantie gevulde, ‘Melita’ koffiefilter. Een ‘patatje met’ leek me nu toch wel lekker.
Lees over veertien dagen verder op de website…
Niko van der Sluijs



