Feuilleton 'Een liefde op de barricades, Parijs 1968'

‘Een liefde op de barricade, Parijs 1968’ – hoofdstuk 5

Hier alweer het vijfde hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricades, Parijs 1968’ van Niko van der Sluijs.
Nieuwsgierig hoe het verder gaat? Over 14 dagen vind je hoofdstuk 6 op deze site.

Dat er in Parijs ook ‘Vietnamdemonstraties’ waren wist ik wel, en dat de politie behoorlijk hard ingreep, ook. Dat het vergelijkbaar was met hun Nederlandse collega’s wist ik niet. Ik ben behoorlijk geschrokken na een onbeholpen actie mijnerzijds. En dan blijkt Jos de eb in mijn portemonnee te hebben aangepakt. 

5. Noëlle
‘Tous les garçons et les filles’

In het imposante warenhuis keken we onze ogen uit. De koepel van Galeries Lafayette liet het gebrandschilderd licht neerkomen op ontelbare artikelen, die in een sfeer van grandeur waren uitgestald in talloze rondingen en nissen. Je werd er achtereenvolgens stil en luidruchtig. Stil door de historische schoonheid, luidruchtig door het enthousiasme van wat er te zien was. Jos deed een vertwijfelde poging een vergelijking te maken met de Amsterdamse Bijenkorf. Mijn reactie, dat ik daarvan geen strakke plasser kreeg, zei hem genoeg. Ik had daarbij zeker geen Rotterdams chauvinisme in gedachte, hoewel ik de Rotterdamse Bijenkorf wel de mooiste winkel van Nederland vond.

Het sombere weer werd in Lafayette getransformeerd tot een plaatselijke opklaring, een oase in een woestijn van steen, een rustpunt voor de vluchteling, die aan de razende stad wilde ontkomen. Ademloos doolden we rond in de weelde van de consumptiemaatschappij, waartegen we ons in Nederland juist zo verzetten. Het oude Provo-gevoel was even niet bij ons. We liepen naar de uitgang op de Boulevard Haussmann. De boulevard met honderden optrekkende auto’s, die in een onbedoelde wedstrijd van stoplicht naar stoplicht raceten. Een korte sprint in het vacuüm, dat gedurende enkele seconden ontstond tussen twee stoplichten, bracht ons aan de overkant. Wij keken om naar het prachtige warenhuis, waarin wij kort daarvoor ronddoolden. De klassieke gevel imponeerde, maar kon in tegenstelling tot het interieur de grauwheid van de depressie boven de stad niet wegnemen.

De achterkant van l’Opéra, die we passeerden, maakte ons nieuwsgierig. Zonder overleg liepen wij richting Place de l’Opéra om het gebouw beter te bekijken en belandden midden in een demonstratie. Wij verbaasden ons over de passiviteit van de demonstranten. Zij stonden stil op de trappen en hielden enkele borden omhoog. Verveelde gezichten veranderden voor een ogenblik in een krachtige eenheid bij het uitroepen van leuzen tegen Johnson en zijn oorlogskliek. Wij verbaasden ons over de grote hoeveelheid politie, die op agressieve wijze was opgesteld in een totale omsingeling van de betogende mensen. Hoewel het Nederlandse politieoptreden tegen demonstranten niet bepaald lief te noemen was, heb ik bij demonstraties, waaraan ik heb deelgenomen, nooit dat benauwende gevoel gekend, dat mij hier bij de keel greep. Nota bene bij een demonstratie waar ik niet eens aan deelnam. Een betoger, die achter de rug van een agent stond, had een tekst op een stuk karton gekladderd:

Martin Luther King en zijn mensen hebben als enig recht: te mogen vechten in Vietnam.’

‘Veel te veel tekst’, dacht ik hardop. Tegelijkertijd realiseerde ik mij de bizarre waarheid van het bericht. Het was Jos ook niet ontgaan, hij neuriede met gesloten mond het nummer van The Motions ‘Wasted Words’, dat hier een dubbele betekenis kreeg. Ik liep langs een politieman om in contact te komen met de mensen op de trappen bij de bogen, waarvan een tweetal gouden engelen, symbool van vrede en vrijheid, neerkeek op het gebeuren onder hen. De agent was niet van plan mij door te laten en duwde mij hardhandig terug onder het uitroepen van:

‘Arrêtez, sortez, maintenant!’

Veel tekst voor een agent. In het Nederlands vroeg ik hem, of hij hiervoor opdracht had gekregen van zijn dictator.

Mijn onverstaanbare zin trof hem midden tussen de ogen. Hij begon uit het niets op mij in te rammen met zijn wapenstok. Ik deed mijn armen voor mijn gezicht en probeerde diep voorovergebogen weg te komen. De man en enkele van zijn collega’s grepen mij vast, terwijl de pijn in scheuten door mijn schouder en heup trok. Jos trok als een bezetene aan mijn arm om mij los te rukken van de gek geworden Franse politie. Achter de agenten begonnen de demonstranten op te dringen en probeerden het politiekordon te doorbreken. Het leek een veldslag te worden, sirenes van arrestantenwagens begonnen aan te zwellen. Ik kreeg een flinke trap in mijn rug, de tranen sprongen in mijn ogen, maar ik was wel los uit de greep van de politiemannen. Als blinden renden wij weg naar ergens waar niemand was, maar overal was iemand; het krioelde van de politie. Een demonstrant, die door het kordon was gebroken, liep schreeuwend langs ons. Links en rechts werden we ingehaald door betogers, slaande agenten, vluchtende omstanders. Overal werden mensen, demonstrant of niet, de blauwe politiebussen ingetrokken. De verwarring desoriënteerde ons, we werden recht in de fuik van de politiecharge getrokken. Angst en instinct dreven ons mee in de kudde, die een goed heenkomen trachtte te vinden. Een meisje, dat ik tussen de demonstranten had zien staan, riep ons haar te volgen. Na een minutenlange sprint, cirkelend als vleermuizen in de menigte, gebaarde zij ons, dat het gevaar was geweken. Wij begrepen van haar, dat wij in de voortgaande massa een normaal wandeltempo konden aannemen. Hijgend wreef ik over mijn schouder, die beurs aanvoelde, bont en blauw zou worden en mij dagenlang pijnlijk zou herinneren aan mijn onbezonnen actie. Jos probeerde zijn geraakte bril weer recht te buigen, terwijl hij mij uitfoeterde:

‘Wat ben je een enorme klootzak, je weet dat die gekken in staat zijn je dood te slaan. Je ontkent de geschiedenis. Ze hebben hier bij demonstraties tegen de Algerijnse oorlog mensen neergeschoten! Wie zegt, dat ze dat niet doen bij die Vietnam betogingen?’

‘Sorry, ik had niet het idee, dat demonstraties zouden zijn als bij ons. Ik dacht dat de Franse politie minder erg was. Je hoort nooit wat over Frankrijk. Ik heb nu mijn lesje wel geleerd.’

Ik probeerde de rust in mij terug te krijgen, maar de sirene van een politieauto joeg ons de stuipen op het lijf. We wilden de diepte van de metro induiken en ons onzichtbaar nestelen tussen de reizigers, die er altijd waren en naar het leek nergens heen gingen.

Het meisje lachte ons vierkant uit, onze schrikreactie kwam bij haar kennelijk belachelijk over. Even later zaten we op haar uitnodiging, uithijgend, achter drie grote koppen koffie. Zij stelde zich voor als Noëlle en vertelde ons, dat zij aan de Sorbonne studeerde. Noëlle kwam uit een dorp dicht bij Bordeaux en nam sinds kort deel aan de demonstraties tegen de Vietnamoorlog en ander Amerikaans ongerief. Ze keek ons met haar grote donkere ogen, die haar expressieve gezicht extra accentueerden, onbevangen aan. Tijdens het gesprek veegde zij telkens in eenzelfde beweging met een hand haar lange, zwarte haren uit het gezicht en probeerde ze achter haar oren weg te stoppen. Haar pogingen leidden tot niets, maar dat leek haar niet te deren. Ze was klein en tenger en haar lange sierlijke vingers tikten, als ze niet met haar haren bezig waren, nerveus op tafel. Noëlle maakte indruk op mij, hoewel ik haar moeilijk kon plaatsen in het rijtje van lief, pittig, sensueel, of knap. Ik voelde kleine kriebels mijn maag binnenwandelen. Misschien omdat ik zo lang geen vrouw om mij heen had gehad? Of omdat ik vond, dat zij iets van de Rotterdamse Joyce weg had? Zij deed mij wel aan haar denken: klein, donker en een stralend gezicht. Zou Joyce nog verkering hebben met John? Hoe zou het met haar zijn? Ik keek naar Noëlle en zag haar scherp gesneden jukbeenderen langzaam overgaan in een waas, waarin ik het hoofd van Joyce herkende. Of verbeeldde ik mij, in de war gebracht door dit Franse meisje, dat ik Joyce nog zo goed voor de geest kon halen? Hoe vaak had ik haar nou gezien, twee, drie keer? Het waren heftige momenten voor mijn gevoel. Ik had de tijd om te dagdromen, omdat Jos in een geanimeerd gesprek was geraakt met onze Française. Ik viel middenin het gesprek, hoewel ik er de hele tijd bij zat. Ik deed moeite het onderwerp te reconstrueren, om niet de indruk te wekken, dat het mij niet interesseerde. Politiek en muziek, geijkte onderwerpen, voorspelbare politieke ideeën, maar een ongewone interesse voor muziek, dat wilde zeggen: Noëlle hield van Engelstalige muziek, van The Stones, The Kinks, The Byrds, Bob Dylan, The Animals en de anderen uit ons rijtje. Ik dacht dat alle Fransen alleen maar Frans wilden horen en misschien een beetje Engels. Goed, Françoise Hardy was toegestaan, die kenden we in Nederland ‘Tous les garçons et les filles’ en natuurlijk Brel, maar dat was een Belg.

We gingen met een vriendelijke handdruk uit elkaar, ik hield haar zachte hand iets langer vast dan normaal (wat was eigenlijk normaal?). Noëlle bloosde een beetje, of wilde ik graag zien, dat zij bloosde? Ik zag een kleur verschijnen op haar gezicht, je kon het duidelijk zien, of misschien toch niet? Wat was ik een slappe zak. Waarom vroeg ik haar niet mee te gaan eten, in plaats van dat halfslachtige gemijmer. Ik deed niets, ik keek haar slechts verliefd na, terwijl ik de brutale blik van Jos ontweek. Ondanks dat kerfde zijn vlijmscherpe grijns een litteken in mijn ego. En ik? Ik grijnsde een beetje dom terug.

Ik nam een warme douche in de hotelkamer van Jos, waar het water mijn pijnlijke schouder, bezaaid met bloeduitstortingen, zachtjes masseerde.

Jos kwam terug van een werkbespreking in Restaurant Luce en riep dat er bezoek voor mij was. Ik liep nauwelijks droog in de badjas van Jos de douche uit en blikte vragend de kamer in, waar een vriendelijk ogende dame van een jaar of dertig op de rand van het bed zat. Ik gaf haar een hand. ‘Hallo, ik ben Pieter.’ Zij stelde zich voor als Viviène. Ik keek haar onderzoekend aan, moest ik haar kennen? Ik draaide mij om naar Jos, die ons grijnzend stond te bekijken.

‘Zei jij mij niet, dat je een baantje wilde hebben, omdat het bij jou voortdurend eb is? Hier is je baantje!’

De dame stelde zich voor in haar functie als medewerkster van de FTS (Een Franse toeristenorganisatie, die treinreizen organiseerde vanuit Nederland en België naar Parijs). Een sollicitatiegesprek in badjas. Tien minuten later was ik reisleider, op proef, zonder ervaring en moest ik mij woensdagavond melden in Restaurant Luce. Het duizelde me.

November begeleidde in een sluier van motregen oktober naar de wachtkamer, over een jaar was het haar beurt weer. In mijn onzekerheid hoopte ik, dat het snel opnieuw oktober werd, dan was ik weg uit Parijs. Het leven in Parijs gaf mij een gevoel van onveiligheid, maakte me klein, kwetsbaar en riep een niet te definiëren vorm van heimwee op. Ik moest mijn brief aan Betty afmaken, ik nam mij voor dat nu echt te gaan doen…

Lees over veertien dagen verder op de website…

Niko van der Sluijs

Related posts
Feuilleton 'Een liefde op de barricades, Parijs 1968'

'Een liefde op de barricade, Parijs 1968' - hoofdstuk 4

Hier alweer het vierde hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricades, Parijs 1968’ van…
Lees meer
Feuilleton 'Een liefde op de barricades, Parijs 1968'

'Een liefde op de barricade, Parijs 1968' - hoofdstuk 3

Hier alweer het derde hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricades, Parijs 1968’ van Niko…
Lees meer
Feuilleton 'Een liefde op de barricades, Parijs 1968'

'Een liefde op de barricade, Parijs 1968' - hoofdstuk 2

Hier alweer het tweede hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricades, Parijs 1968’ van…
Lees meer

EXCLUSIEVE TOEGANG

Word lid van VOM HU

Als lid van VOM HU blijf je verbonden met oud-collegas om ervaringen, geluksmomenten en (persoonlijke) kennis te delen.




LID WORDEN