Hier volgt het twaalfde hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricade, Parijs 1968’ van Niko van der Sluijs. Nieuwsgierig hoe het verder gaat? Over 14 dagen vind je hoofdstuk 13 op deze site.
De professor had mij aardig de les gelezen. Ik keerde terug naar de Boulevard Flandrin en trof Joyce nu wel. Hoe kom je weer tot jezelf, als je zoveel wantrouwen hebt opgeklopt. Wie was ik ? Ik en niet Joyce was zelf verantwoordelijk voor mijn daden. Wie was ik dan om haar iets kwalijk te nemen…
12. Uiensoep
‘Verdronken vlinder’
Mijn hart bonkte in mijn keel toen ik die dag voor de tweede keer voor haar deur stond op de Boulevard Flandrin. Nu draaide de deur direct open en vloog een kleine vrouw met lange donkere haren mij om de hals. Wat was dat lang geleden. Wij spraken niet, bleven elkaar vastklemmen, wilden elkaar voelen, genieten van het moment. Ik wilde de stilte doorbreken, maar bij de eerste klanken drukte zij haar vinger tegen mijn lippen: ‘ssst.’
Pas op haar kamer keken wij elkaar echt aan. Ik zag dat meisje weer terug met die stralende ogen, die recht in mijn hart schenen. Ogen die mij week maakten en mij meevoerden in dat inmiddels bekende gevoel. Haar lippen werkten als een magneet, waaraan mijn mond werd vastgeklonken en de zachtzoete smaak van haar tong liet mij een droomwereld binnenstappen, die met welke drug dan ook onbereikbaar zou zijn.
‘Hé jij hebt gedronken, vriendje?’
Lachend trok Joyce een vies gezicht.
‘Je hoeft niet zo vies te kijken, het was hele goede wijn.’
‘O ja, laat mij dan nog eens proeven!’
Joyce droeg een versleten spijkerbroek en een bordeauxrode, wollen trui met een hoog opgetrokken brede kraag, die aardig in mijn hals begon te prikken.
‘Kan die trui uit, ik ben allergisch voor wol.’
‘Doe je best!’
Het paarse T-shirt, dat zij onder de trui droeg, voelde als een zachte tweede huid, die de oplopende temperatuur van haar lichaam met mij deelde. Ik voelde geen beha, zij was puur natuur. Daarna gebeurde alles snel, de naakte euforische worsteling op haar bed, onze ontlading vol vuur en liefde. Samen in de krappe doucheruimte onder de harde warme waterstralen verstopt achter de beslagen glazen wand. Onverzadigbaar in onze wederzijdse genegenheid verbruikten we elkaars energie om een buitendimensionale apotheose te bereiken. Joyce zakte vermoeid op de grond en leunde tegen de betegelde wand, waarlangs het water in gebroken stralen naar beneden liep. Het douchewater kwam in een bundel neer op haar bovenbenen en verspreidde zich in een wolk van door het lamplicht gekleurde waterdeeltjes over haar buik en borsten. Zij was als een prachtige vlinder, die op het water landde met dauwdruppels op de vleugels, die haar kleuren versterkten in het diffuse licht. ‘Verdronken Vlinder’, Boudewijn de Groot, geschreven door Lennaert Nijgh, die naar zeggen dit lied schreef voor een zekere Joyce. Hoe toepasselijk. Ik gleed naast haar en wiegde haar als een baby. Ik tilde haar uit de doucheruimte en droogde haar stevig af met een geelgebloemd badlaken.
Onze naakte lijven kropen dicht tegen elkaar aan onder de dekens.
Ik vertelde Joyce over mijn gevoelens bij het lezen van haar briefje, over de teleurstelling toen zij niet thuis was en de ontmoeting met de clochard, die mij terugstuurde naar deze zevende hemel.
Joyce luisterde, lachte en huilde tenslotte tegen mijn schouder, waarbij zij haar gevoelens voor mij meer blootgaf dan ooit.
Ik pakte een zachtroze lippenstift van haar nachtkastje en tekende blaadjes rond haar tepels, waardoor de contouren van een bloem zichtbaar werden. Joyce bekeek het resultaat lachend voor de spiegel, waarna zij met een sprong weer in bed kwam en met haar borsten aan alle kanten tegen mijn lijf begon te wrijven, waardoor ik onder de roze vlekken kwam te zitten.
Zomer, zon en zonden, midden in de winter. Die winter was ik helemaal vergeten ‘Let’s go to San Francisco’, The Flowerpot Men.
Ik vroeg niet naar haar kerstdagen in Rotterdam, zij niet naar die van mij in Frankrijk.
Dagen trokken we met elkaar op, zongen ons lijflied in bus en metro, ‘and then I kissed her.’ We bezochten mooie plekken in Parijs, om ’s avonds vermoeid en gelukkig in haar bed te belanden. Place du Tertre met kunstenaars, die allemaal haar portret wilde tekenen of schilderen. En passant mocht ik er eventueel ook op. Eén van de kunstenaars bood aan voor niets een portret van haar te maken. Het origineel was voor haar, de kopieën waren voor de verkoop. Wij liepen door en kregen tot onze verbazing een aantal keren hetzelfde aanbod. Tenslotte kwamen we in gesprek met een Nederlandse kunstschilder, die bij wijze van uitzondering een plek op het beroemde plein had weten te bemachtigen. Hij wilde Joyce tekenen, voor niets. Zo’n prachtig scherp en toch zacht gezicht kwam je zelden tegen. Joyce voelde zich gevleid en wilde even doorpraten met de man, terwijl ik verder wilde lopen.
‘Allemaal onzin, je denkt toch niet, dat ze het menen, straks moet je stiekem toch betalen en al dat geklit van die figuren, kom op, het wordt niets hier…’
‘Pieter, je bent gewoon jaloers, ik vind dit grappig.’
Een uur later liepen we het plein af met een prachtig zwart-wit portret van Joyce, getekend met houtskool door een Nederlandse schilder met een dubbele voornaam, die ik alweer was vergeten. Hij vroeg wel of hij er nog één mocht maken, die hij zou dupliceren en verkopen. Wij hoefden geen cent te betalen, maar daarmee was Joyce waarschijnlijk binnen enkele dagen een hoofd, waarop een prijs stond.
‘Je wordt beroemd.’
‘Kan mij het schelen, wat ze er mee doen, ik heb een portret voor niets. Vind je het leuk?’
‘Leuk? Ik vind het prachtig, ik ga terug om ze allemaal te kopen. Geintje, ik vind hem erg mooi, precies zoals je bent.’
‘Dank je, lief dat je dat zegt. Helaas ben jij kennelijk te lelijk om gevraagd te worden!’
Ik gaf haar bij gebrek aan een goed weerwoord een flinke duw, waarna we lachend en stoeiend over straat holden. Joyce riep nog ‘Kijk uit!’ Het was te laat. Ik liep een stapel rieten terrasstoelen omver. De stoelen stuiterden over de stoep en dreigden tussen het verkeer terecht te komen. Ik kon nog net de stoelen bereiken, voordat er ergere dingen gingen gebeuren.
‘Hé, help eens.’
‘Kan ik niet, ik moet mijn portret goed vasthouden.’
‘Ja, ja, tuthola moet zichzelf vasthouden, het moet niet gekker worden, weet je.’
Ik kreeg met pijn en moeite de stoelen weer op elkaar. Bij het plaatsen van de laatste stoel ging het mis en donderde de hele stapel weer om. Vloekend en tierend rende ik achter de stuitende stoelen aan.
‘Verdomme, Joyce help eens!’
Joyce deed geen enkele poging mij te helpen. In plaats daarvan stond zij mij glashard uit te lachen. Opeens voelde ik mij voor gek staan met een pas gevangen rieten stoel in mijn handen. Met een schuchter lachje om mijn mond zette ik de stoel neer en liep naar mijn lachende vriendin. Quasiboos pakte ik haar bij de arm en draaide die een beetje om, waardoor zij oog in oog met mij kwam te staan. Ik trok haar stevig tegen mij aan en een tel later speelden onze tongen weer krijgertje. In mijn ooghoek zag ik een vrouw in de deuropening van het restaurant staan, hoogst waarschijnlijk de rechtmatige eigenaar van de stoelen. Verbijsterd volgde zij onze gedragingen. Ik zwaaide naar haar, waarna we lachend doorliepen. Dat met die stoelen zou mij toch niet lukken.
‘s Avonds aten we in een leuk restaurantje achter de Champs Elysées, face à face aan een lange tafel. Naast ons kwam een echtpaar zitten, de man naast mij en de vrouw naast Joyce. Ik zag direct, dat het Britten waren. Ik vroeg de mening van Joyce over die mensen en ook zij zei, haar hoofd ver over de tafel gebogen, dat je het van die gezichten kon aflezen. Onze buren zaten te stuntelen met de menukaart, die uitsluitend in het Frans was opgesteld en keken hulpeloos onze kant op. Joyce sprak de vrouw rechtstreeks in het Engels aan en het werkte:
‘Can I help you?’
‘O yes, please, I really appreciate that.’
Na een korte weergave van de kaart besloten b
iden voor het bekende te gaan en de man vroeg de serveerster om een ‘Steak eu pwaavre’.
‘Uh stiek, stiek, bien sur, oui monsieur ‘
Joyce tikte mij onder tafel aan.
‘Ze heeft niet gevraagd hoe ze die steak willen hebben. Dat wordt lachen. Die Engelsen laten het vlees altijd zo lang braden tot het kauwgum is.’
Toen wij ons tegoed deden aan heerlijke gebraden eend, werd de steak bij onze buren geserveerd.
De vrouw stak haar mes in het vlees en begon te snijden, waardoor de nog vuurrode binnenkant van de steak zichtbaar werd. Man en vrouw keken vol afgrijzen naar de enge rode steak, die nauwelijks de pan had geraakt.
Aarzelend stak de vrouw haar hand op naar de serveerster.
‘Madam, can I have it cooked a bit more?’
‘Quouquète, quouquète??’
Behulpzaam legden wij uit, dat Engelsen hun biefstuk graag doorbakken wilden hebben (bien cuit).
De serveerster nam de steaks mee en mompelde iets van ‘complètement fou!’
De Britten waren ons zeer dankbaar en nodigden ons uit om na het eten nog een drankje te nuttigen op één van de verwarmde terrassen op de Champs Elysées.
We waren die avond nog niet binnen of Joyce greep mij lachend in mijn kruis onder het uitroepen van:
‘Can I have it cooked a bit more…’
‘Quouquète, quouquète? Oui madame.’
Nog een paar dagen en de colleges begonnen weer en ook het werk bij de FTS.
We lagen in bed en overdachten de afgelopen, gelukkige dagen, de ongedwongenheid, de uitgelaten sfeer, alles klikte.
Joyce verbrak onze stille overdenking door een vraag te stellen, die mij volkomen overviel:
‘Wat heb jij eigenlijk met Kerst en Nieuwjaar gedaan?’
‘Ik vraag jou toch ook niet, wat je in Rotterdam hebt gedaan?’
‘Nee, maar ik vraag dit wel aan jou.’
‘Moet dat?’
Ik had helemaal geen zin om over Claouey te praten en zeker niet over Noëlle.
‘Ik vraag er toch naar. Verberg je iets voor me?’
‘Vertel jij mij dan ook de details?’
‘Ja waarom niet?’
‘Jezus, Joyce wil je dit echt!?’
‘Ja.’
‘Goed.’
Ik begon mijn verhaal met de ontmoeting in de Polidor met Noëlle, voor Joyce geen onbekende, omdat ik de belevenissen van Jos en mij op Place de l’Opéra in geuren en kleuren had verteld. Ik legde extra nadruk op de aanwezigheid van Petit Jule, de vriend van Noëlle. Daarna Claouey, met het onschuldige deel er uitgelicht, de familie van Polydor, papa de kolonel en de prachtige nachtmis met het fenomenale koor.
‘Zo en nu jij.’
‘Nee jongen, je houdt dingen achter. Jij vond die Noëlle aardig, anders was je niet zomaar meegegaan, wees eerlijk.’
‘Ja, maar dat wist je al. Als ik het een trut had gevonden, was ik niet afgereisd naar zo’n gat.’
‘Meer dan alleen aardig?’
‘Wat wil je weten?’
‘Alles.’
Ik besloot het risico te nemen en alles op te biechten. Eerst vertelde ik van mijn gevoelens voor haar, Joyce. Mijn onzekerheid, mijn jaloezie, het gevoel haar verloren te hebben. Daarna kwam met horten en stoten het verhaal van het hier en nu van twee mensen, waarvan de vriend en vriendin ver weg waren en die elkaar erg aardig vonden. Inderdaad ik had niet alleen met mes en vork gegeten. (Ik dankte in stilte Jos om deze prettige opmerking, de stomme zak!)
‘Het was stom van me en nu wil je zeker dat ik vertrek?’
‘Nee, waarom?’
‘Nou ik voel het als overspel, ontrouw aan jou. Ik kan mij voorstellen dat je boos bent en …’
‘Ssst, niet zoveel zelfverwijt, je hebt mij niet in de steek gelaten. Ik kan het me voorstellen, hoewel, ik vind dat een man snel z’n pik achternaloopt. ‘
‘Ik ben dus gewoon één uit een dozijn?’
‘Nee, aangebrand mannetje, je bent gewoon een slappe zak.’
Joyce kwam lachend overeind en begon mij hartstochtelijk te zoenen. Hoe kon ze dit zo oppakken? Ik had dit moment zo gevreesd. Ik wist dat het zou komen, maar nu pakte het zó anders uit, dan ik had verwacht. Ik beantwoordde de lange kus met een geweldig gevoel van opluchting. We kropen dicht tegen elkaar aan en knuffelden lang, zonder iets te zeggen of te willen zeggen. Alles kwam onwezenlijk over. Joyce berustte in mijn verhaal. Was de werkelijkheid wel tot haar doorgedrongen? Ergens was het voor mij beter geweest, als zij boos was geworden, in woede was uitgebarsten en mij de deur had gewezen. Om daarna huilend om mijn hals te vallen, waarna wij alles weer goed konden maken. Was ik zo’n moeilijke figuur of was het haar onverschilligheid, die mij van mijn stuk bracht? Wat lulde ik, Joyce was tolerant. Een tolerantie, die ik nooit zou kunnen opbrengen. Met het gevoel een loden last om mijn nek te dragen keek ik haar in de ogen. Zij lachte open en vrolijk naar mij, niets wees op de dip, die ik vreesde.
‘En jij, hoe was het in het Rotterdam?’
‘Wil je het echt horen?’
‘Ja, je wilde van mij ook de waarheid?’
‘Ik zeg niet, dat ik de waarheid niet ga vertellen. Ik wil weten of je die wel wilt horen.’
‘Ja.’
‘Oké, je weet wat ik zei, toen ik wegging. Ik wilde onze verhouding aan John uitleggen. De hele treinreis heb ik aan niets anders kunnen denken. Ik wilde het zo snel mogelijk afgehandeld hebben en daarna met mijn broertje, zus en ouders lekker kerst vieren en hen vertellen over ons. Het ging allemaal zo anders…’
‘Hoezo, waarom?’
‘Ging het bij jou dan niet anders, dan je had verwacht?’
‘Ja, dat kan je wel stellen.’
‘Mijn moeder en John stonden mij op het station op te wachten. Ik wist niet hoe ik moest reageren, dat was zo gek. Ik zag John voor het eerst als zomaar iemand en niet als mijn vriend, niet als de jongen waar ik gek op was. Ik wist het op dat moment zeker.
Mijn moeder omhelsde mij en voordat ik het besefte was er de tweede omhelzing van John. Ik zag aan hem, dat hij blij was mij te zien. Ik veinsde hetzelfde, al was het voor mijn moeder, die zo vrolijk met hem omging. Thuis was er geen weg meer terug. John was in de tijd dat ik weg was een lid van de familie geworden. Iedereen gedroeg zich uitgelaten naar hem. Binnen een paar minuten werd ik door mijn vader op mijn afwezige houding gewezen en mijn zus zei dat ik behoorlijk chagrijnig deed naar John. Een dilemma dus. Tot overmaat van ramp vroeg mijn moeder of John bleef slapen. Ik protesteerde luchtig door te zeggen, dat ik moe was en wilde slapen, alleen. De teleurstelling op het gezicht van John was overduidelijk, maar hij begreep het onmiddellijk. En dat maakte het allemaal zo moeilijk, dat verdomde begrip van hem. Ik kreeg oprecht medelijden, maar zette door. Ik zou het de volgende dag vertellen.
Het lukte me niet. Op het moment dat ik over ons wilde praten, was er steeds wat anders. Dan kwam mijn vader binnen, die even een grapje moest vertellen aan John. Dan mijn zus, die John even beet moest pakken. Dan mijn moeder, die overdreven bezorgd voor hem was. Wat moest ik? De duivel spelen en hem de deur uitzetten? Dat kon ik niet maken, dat had hij niet verdiend. Bij mijn ouders hoefde ik niet aan te kloppen, die hadden John volledig in hun armen gesloten. Voor hen was hij de gedoodverfde schoonzoon. Ik heb een poging gedaan om met mijn zus te praten, maar zij begon onmiddellijk tegen mij te preken. Dat kon echt niet, of ik wel wist hoe gelukkig ik met hem moest zijn, dat al mijn vriendinnen jaloers op mij waren en ga zo maar door.’
‘Je kon toch gewoon de waarheid vertellen. Je was er niet op uit hem belachelijk te maken of zoiets?’
‘Ik kon het in ieder geval niet. Zonder gevoel modderde ik door en probeerde de feestdagen voor allemaal zo vrolijk mogelijk te houden. En toen kwam die verdomde nachtmis, die mij week maakte. De muziek samen met het teleurgestelde gezicht van John maakte mij zwak. Ik voelde mij eenzamer dan ooit. Ik miste jou zo erg. Ik wist dat het nu moest gebeuren. ‘Thuis op mijn slaapkamer ben ik er over begonnen. Ik heb niet gezegd, dat ik een nieuwe vriend had, maar dat ik meer ruimte voor mijzelf wilde hebben. Dat mijn verblijf in Parijs mij onzeker had gemaakt over de toekomst en dat ik na moest denken of ik wel vast wilde zitten aan iemand. John leek volkomen apathisch. Midden in de kerstnacht gaf ik hem de bons. Ineens stortte hij compleet in. Ik schrok en probeerde hem te troosten door mijn armen om hem heen te slaan. Toen ging het mis, hij huilde en ik hield het ook niet droog. Alles gebeurde alsof het buiten mij om was. Ik troostte hem en hij mij. Alles leek weer op hij en ik. We vrijden zonder dat ik me erbij betrokken voelde. Het leek alsof ik er op een afstand naar stond te kijken. Ik kon mij wel voor mijn kop slaan, maar ik liet het toe.
Ik ben nergens meer over begonnen. Ik wilde zo snel mogelijk terug naar Parijs. Ik wist dat jij er niet zou zijn, maar Parijs was voor mij toch teruggaan naar jou. Ik voelde me rot. Hoe moest ik dit verklaren, dom, dom. En dan loop ik met John op de Coolsingel, komen we die dikke bassist uit je band tegen. Hij keek de hele tijd naar mij met die enge glimlach van hem. Ik dacht direct, als hij jou ziet, gaat hij onmiddellijk over mij roddelen. In ieder geval de verkeerde dingen zeggen. Ja, ik weet dat het een rare gedachte is, maar toch, weet je…
Ik heb later Jos nog gesproken. Dat heb ik, geloof ik, niet in dat briefje geschreven. Ik heb Jos verteld, hoe ik jou miste.’
‘Met John erbij?’
‘Die stond in de buurt, maar was in gesprek met één of andere, voor mij onbekende, figuur.’
‘Hoe reageerde Jos?’
‘Dat ik goed na moest denken, wat missen was. Dat missen ook kon betekenen, dat je elkaar steeds miste, zoiets als langs elkaar heen lopen zonder elkaar te zien.’
‘Erg cryptisch.’
‘Vind je?’
‘Ja.’
‘Ik niet.’
Ik viel stil. Het verhaal van Joyce had op mij een andere impact, dan ik voor mogelijk had gehouden. Ik voelde geen jaloezie. Ik verweet haar niets, net zomin zij mij iets leek te verwijten. Maar ik wist dat er een verschil was. Zij zat in een mislukt rouwproces en ik werd gezond opgewonden van een andere vrouw. Noëlle en ik riskeerden veel door in elkaars aura te zitten, terwijl Joyce juist haar best deed afstand te bewaren, bewust en onbewust.
Ik probeerde haar gezicht te lezen. Somber staarde zij naar het plafond, alle passie was verdwenen.
‘je vindt mij stom, hè?’
‘Volgens mij heb jij meer reden om mij stom te vinden.’
‘In ieder geval heb jij het leuker gehad dan ik. Je kan je niet indenken hoe klote ik mij voelde.’
‘En ik maar denken, dat je mij liet barsten, terwijl ik heel lullig bezig was.’
‘Hè ja, zink lekker weg in zelfverwijt, dat kan ik er nog bij hebben, weet je.’
De sfeer in de kamer werd er niet beter op. Ik werd er steeds somberder van. De neerslachtigheid leek uit de poriën van de muren de ruimte ingespoten te worden. Ongemakkelijk lagen we naast elkaar. Ik trok het witte laken over mijn koud geworden lijf. Het voelde alsof ik een hoofdrol speelde in een opera met een verwarrende plot ‘Excerpt from a teenage opera’, Keith West. Hoewel de tekst van dit nummer niet paste, kreeg ik de muziek niet uit mijn hoofd.
‘Weet je wat Jos bedoelde?’
‘Over dat missen bedoel je?’
Joyce ging verder, zonder door te vragen.
‘Ja, weet je, we dansen om elkaar heen, zonder elkaar vast te houden. Zonder richting, zonder ritme, wat willen we eigenlijk?’
‘Ik wil jou niet missen.’
‘Ik jou ook niet.’
Ik pakte Joyce bij haar hand en trok haar omhoog.
‘Kom op, aankleden, we moeten weg uit deze patstelling.’
Even later liepen we door de frisse Parijse nacht. De verlaten straten klonken hol onder onze voetstappen. We liepen hand in hand, zeiden niets, maar lieten de wind langs onze gezichten glijden. Ter hoogte van Trocadero doorbrak ik het stilzwijgen:
‘Koud hè?’
‘We moeten gewoon harder lopen, dan krijgen we het vanzelf warm.’
Joyce lachte met een bibberend gezicht in mijn richting. Ik omarmde haar en hield haar extra lang tegen mij aan en kuste haar zacht op haar voorhoofd.
‘Warm genoeg?’
‘Bijna, kom rennen.’
De buitenlucht in het stille donker gaf ons een bevrijdend gevoel. Hand in hand lieten we onze armen op en neer bewegen, terwijl we in een straf tempo door de straten richting nergens gingen. Via een verlaten Place du Trocadero liepen we om het Palais de Chaillot naar de altijd verlichte Eifeltoren, stoer afgetekend in de nachtelijke omlijsting. Zonder een woord te wisselen wandelden we langs de Seine, waar onder een enkele brug wat vuurresten de aanwezigheid van clochards verraadden. Zo dwalend kwamen we nauwelijks meer mensen tegen. Behalve hier en daar een zwerver, die probeerde te slapen in een portiek of op een luchtrooster van de metro, waaruit warme lucht opsteeg. We droomden voor ons uit, hand in hand. Waren we gelukkig of ongelukkig door onze bekentenissen? Ik was blij dat het eruit was, maar had een vreemd, dubbel gevoel bij alles. Ik probeerde oogcontact te maken met Joyce, maar zij keek strak voor zich uit, leek mij niet op te merken. Was ze verdrietig, was zij teleurgesteld in mij, was dit onze laatste wandeling?
We moeten uren hebben gelopen toen we midden in de bedrijvigheid en de geuren belandden van het laden en lossen van groenten, fruit, vlees, vis en wat er meer te eten viel. We waren bij de Hallen aangekomen. De markt waar uit het hele land vrachtwagens af en aan reden. Mannen met mutsen, een peuk hangend aan de lippen, waren bezig met het overladen van vers aangevoerd voedsel.
‘Ik heb het koud.’
Het waren volgens mij de eerste woorden, die Joyce uitsprak na Trocadero.
‘Waarom zeg je dat niet eerder, lieverd?’
Ze kuste mij met bibberende lippen.
‘Laten we ergens naar binnen gaan, ik ben bang dat het gaat regenen’ ‘Rain on the roof’, The Lovin’ Spoonful, ‘I see the rain’, The Marmelade.
Even later zaten we in een bistro, tussen het werkvolk, aan een dampende kom uiensoep, geserveerd door een uit de kluiten gewassen madame, die door de werkmensen ‘Tante’ werd genoemd.
Een grote en kleine man kwamen de bistro binnen. Het leek wel of alle gesprekken stokten, iedereen keek. De grote man was echt groot, de kleine echt klein, maar verder waren ze volkomen identiek. Hetzelfde haar, hoofd, lijf en zelfs de vermoeide gezichtsuitdrukking was gelijk. De mannen groetten met een nasaal ‘Mogge’.
‘Joyce, weet je waar ik aan moet denken? Aan dat nummer van Cat Stevens, ‘Matthew and Son’.
Ik zong het zachtjes voor mij uit: ‘Working all day… there’s a five minutes break and that’s all you take…’
Om kwart over vijf in de ochtend warmden wij onze handen aan een kom soep en keken elkaar lachend in de ogen.
‘Wat een vreemde nacht, hè?’
‘Ja dat kan je wel zeggen.’
Voor de tweede keer in korte tijd kuste Joyce mij, maar nu op mijn mond, een kus die langer duurde dan het koude kusje van buiten.
Een gefluit en gejoel van de mannen om ons heen dwong ons elkaar, lachend, los te laten. Ik voelde mij weer gelukkig.
Niko van der Sluijs


