En hier dan het negende hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricade, Parijs 1968’ van Niko van der Sluijs.
Nieuwsgierig hoe het verder gaat? Over 14 dagen vind je hoofdstuk 10 op deze site.
Achterblijven in Parijs met de kerstdagen en de jaarwisseling. Het dreigde mij te overkomen. Alles ging anders door gesprekken in de kroeg. En passant kreeg ik een van de aanleidingen mee van de latere studentenopstand.
9. Claouey
‘When a child is born’
Spontaan omhelsde Noëlle de man, die wij aan het Bassin d’Arcachon op het terrein van ‘camping municipal’ tegen het lijf liepen. Hij staarde over de drooggevallen baai en was kennelijk ver weg met zijn gedachten, omdat hij schrok van de onstuimige begroeting door Noëlle. Een seconde later was er de blijdschap van herkenning.
Claouey was een schilderachtig dorpje, gevormd door een paar kernen, een aantal losse, voor het grootste deel flinke huizen en een kerk. Het dorp lag tussen het bassin en de uitgestrekte bossen en duinen in, die doorliepen tot aan de Atlantische oceaan. De weg langs dorp en camping liep dood bij Cap Ferret. Tegenover Claouey aan de andere oever van het bassin lag Arcachon met de vele zomerverblijven van de stedelingen uit Bordeaux.
Ik was al twee dagen te gast bij de ouders van Noëlle, bij haar alleraardigste moeder en haar dominante vader, monsieur le Colonel. Noëlle en haar moeder gedroegen zich onderdanig naar de kleine, snel geagiteerde militair, vond ik. Noelle had mij ingefluisterd, dat het voor haar moeder een kwestie van overleven was en voor haarzelf een kwestie van geld, haar toelage dus.
De man aan het water stelde zich voor als Polydor Elo. Zijn markante hoofd tekende zich scherp af in het tegenlicht van de laag schijnende zon. Het zonlicht bracht een vreemde schittering teweeg op de drabbige grauwgroene bodem van het bassin. In dat plaatje werd de man min of meer uitvergroot en kreeg daardoor iets magisch en imponerends. Hij bleek een vriend van de vader van Noëlle. We werden uitgenodigd in zijn caravan, waarin hij met vrouw Rina en dochter Françoise verbleef. Hij was daar iedere winter tijdens de feestdagen, weg van huis en opdringerige familie.
Het was een verrassende ontmoeting. Polydor, wijnhandelaar, woonde nota bene in Rotterdam. Zijn Franse vader en Nederlandse moeder hadden Rotterdam als woonplaats gekozen. Polydor en de andere gezinsleden reisden graag naar Claouey, naar hun Franse vrienden. Al pratend begon er bij mij iets te dagen. Was Prosper Elo, die rechtse bal uit Rotterdam, die regelmatig ingezonden stukken plaatste in het Algemeen Dagblad en daarin de Provobeweging vervloekte, familie van Polydor? De man, die de Vietnamoorlog als de enige uitweg zag om die verdomde communisten terug te dringen. De man, voor wie de koude oorlog een zegen was.
‘Mag ik vragen, heb jij een familielid, die Prosper heet?’
‘Ken je hem? Dat is mijn broer. Waar ken jij die van?’
‘Hij is toch voorzitter van de Vereniging van Oud-Strijders?’
‘Ja, hij is als militair drie dagen in Nederlands-Indië geweest en boem deze man staat alweer vooraan.’
‘Je hebt geen hoge pet op van je broer.’‘Die zelfingenomen kwal?’
Dat kon ik slechts beamen… We waren het eens, die vette Prosper Elo had hel en verdoemenis over onze generatie afgeroepen. Wat had ik hem graag in een aanbouwput van de metro gedonderd of kopje ondergehouden in de Maas.
Polydor en ik, wij Rotterdammers, hadden heel wat te bespreken. Noëlle en de jonge donkerharige Françoise, ik schatte haar een jaar of zestien, luisterden aandachtig naar de mooie verhalen, die wij ophingen over Rotterdam. Rina zette koffie en bekeek alles met een relativerende blik op strategische afstand. Duizend kilometer van huis en de eerste mensen, die je ontmoette waren Rotterdammers. Het moest niet gekker worden.
Kerstavond, iedereen was in mijn ogen chique gekleed. Misschien was elegant een beter woord. Noëlle zag er oogverblindend uit. Ik voelde mij een clochard bij haar vergeleken. Ik was gekleed in een oude spijkerbroek (ik had twee spijkerbroeken bij me) met daarboven een donkerblauw overhemd. Ik zag de blikken, die op mij gericht waren, maar kon niets aan mijn uiterlijk veranderen. Het was een bont gezelschap, dat zich verzamelde in het ouderlijk huis van Noëlle. De familie Elo was er ook. De bedoeling was dat we met z’n allen naar de nachtmis zouden gaan. Polydor stond met Noëlle te smoezen en keek over haar schouder naar mij. Noëlle draaide zich van hem af en kwam lachend naar mij toe. Voor het eerst sinds ons verblijf, na drie dagen, omhelsde zij mij. Ik voelde de warmte van haar borsten door haar dunne zijden blouse en voerde de druk onwillekeurig op. Heel kort kuste zij mij op mijn lippen en verbrak, naar het leek geschrokken, onze intieme houding.
‘Hoe voel je je hier?’
‘Goed, maar als jullie zo mooi gekleed zijn, voel ik mij minder op mijn gemak.’
‘Ik zag het aan je. Polydor heeft een pak over en zo te zien hebben jullie hetzelfde postuur.’De oude Polydor had inderdaad niet te veel vet aan zijn lijf en qua lengte was hij misschien iets kleiner. Als het waar was, dat je na je dertigste kromp, dan moest hij wellicht langer zijn geweest dan ik.
Eerst wilde ik mij verzetten tegen het ‘bourgeoisie’ gedrag, maar ik zag daar direct de kinderachtigheid van in. Deze mensen vierden kerstavond, waren belijdend katholiek en hechtten veel waarde aan tradities. Waarom ook niet? Per slot van rekening was ik katholiek opgevoed en aan Noëlle zag ik, dat ze het fijn vond als ik op het aanbod inging. Meedoen maakte het leven zoveel gemakkelijker.
Even later werd ik door Polydor in zijn volautomatische DAF naar de camping gereden. In de tijd, dat wij onderweg waren, vertelde hij mij, dat hij tijdens de oorlog in het Franse verzet had gezeten. Aan het eind van de oorlog werd zijn groep door de Duitsers gearresteerd na verraad door een opgepakt lid van de ‘Résistance’. Hij had drie maanden in een concentratiekamp op de bevrijding moeten wachten. Daarvan had hij nog steeds last, weinig slapen, angstaanvallen en ga zo maar door. De oorlog zat diep in hem en kwam er maar beetje bij beetje uit.
‘In mij is het altijd oorlog. Soms ben ik heel moeilijk voor mijn omgeving. Dat doet pijn, net zo goed voor mij als voor de anderen. Het is niet makkelijk om met mij te leven.’
Ik luisterde naar zijn bewogen verhaal en begreep dat ik naast een man zat, die veel, heel veel had meegemaakt. Wat had ik meegemaakt? Helemaal niets. Ik was een verwende puber, die weg werd gehouden van de echte problemen.
Het pak paste redelijk. Polydor hield mij een wit overhemd en een stropdas met een breedtestreep voor. Ik probeerde alles met frisse tegenzin en ging als een surrogaat heer de caravan uit. Voor de stropdas geneerde ik mij het meest, zo’n VVD-streep, wat een schande. Maar wie zag mij hier lopen, in dit ketelpak van de welgestelde, niemand toch?
Terug in de villa werd ik met applaus en met een ‘wow’ ontvangen. Ik schaamde mij. Het vreemde was, dat die schaamte voortkwam uit de wijze waarop ik eerst gekleed was, niet door mijn nieuwe klederdracht. Noëlle omhelsde mij voor de tweede keer. Ik keek van dichtbij in haar lachende gezicht. Ze zei met een gemene grijns om haar mond, dat ze me heel mooi vond. Haar lange zoete kus was aangenaam echt.
We liepen met elkaar naar de kerk. Het was buiten ijskoud. Rillend probeerde ik mijn colbert zoveel mogelijk om mij heen te trekken. Een winterjas zat niet in het pakket. Noëlle had een lange wollen jas aan, waartegen ik mij graag had aangedrukt, maar zij leek mijn toestand niet in de gaten te hebben. Vrolijk in gesprek met Françoise, zonder enige hinder van de winterse temperaturen, liep zij voor mij uit. Polydor sloeg mij amicaal op mijn schouder onder het uitstrooien van complimenten over mijn gevoel voor stijl.
De kerk was overvol. Noëlle en ik werden., eenmaal binnen, tegen de achterwand gedrukt. De lucht in de kerk deed mij denken aan de lucht in een vol café, hoewel ik wist, dat zo’n vergelijking onzin was. De rook en het verschaalde bier verspreidden een gemixte lucht, die bij mij bepaalde, niet te definiëren, gevoelens naar boven haalde. De lucht van wijwater, vermengd met de wierrook, die met het Marialof rijkelijk de kerk in werd geblazen, gaf mij datzelfde gevoel, dezelfde prikkeling. In het kaarslicht, dat door de gebrandschilderde ramen werd teruggekaatst, ontwaarde ik prachtige gewelfde plafonds bezaaid met kleurrijke taferelen. Boven mij hing een immens orgel. Veel zicht kreeg ik daar niet op in het enorme gedrang. Het altaar, de pastoor, het koor alles was voor ons nauwelijks zichtbaar. Het prachtige gezang bereikte in ieder geval onze oren. Polydor had mij onderweg verteld, dat de zang bij de nachtmis ieder jaar verzorgd werd door een Engels koor en enkele Franse chansonniers. Ik zonk weg in de schitterende klanken van koor en orgel. Noëlle stond tegen mij aangedrukt. Ik voelde haar hand in mijn hand, de warmte van haar lijf die in mij kroop en haar hoofd, dat tegen mijn schouder leunde. De kou die ik buiten voelde was verdwenen. Ik drukte mijn neus licht tegen haar hals om haar geur op te snuiven en te laten samensmelten met de meeslepende muziek. De pastoor hoorde ik nauwelijks, maar het ‘Ave Maria’ des te beter. En verder de liederen, die bij het kerstfeest hoorden: ‘Silent Night’, ‘Joy to the World’, ‘Canticorum Jubilo’ (Händel) ‘Adeste Fideles’, ‘Gloria in Excelsis Deo’ en niet te vergeten mijn favoriete ‘When a child is born’:
‘A ray of hope flickers in the sky
A tiny star lights up way up high
All across the land, dawns a brand-new morn’
This comes to pass when a child is born.’
In mijn hoofd vertaalde ik de flarden, die mij in het Engels bereikten. In welke taal ook, dit was zo mooi. De koude rillingen liepen over mijn rug, tranen rolden over mijn wangen. Noëlle voelde mijn emoties, nam mijn hoofd tussen haar handen en kuste mijn tranen weg. In dezelfde beweging draaide zij een halve slag en leunde met haar rug tegen mij aan. Ik sloeg mijn armen om haar middel en bracht mijn handen samen op haar buik. Het voelde goed, bijna zoals Joyce voelde.
Kon dit wel? Ik dacht honderd keer per dag aan Joyce. Ik verlangde naar haar. Dit was Joyce niet en toch stond ik hier met mijn armen om een vrouw als Joyce, maar het was Joyce niet. Ik werd gek. Mijn gedachten vlogen van links naar rechts; dit kon niet. Joyce bezocht op dit moment duizend kilometer noordelijker ook de nachtmis. Misschien ook wel een staanplaats achter in de kerk, waar ze zich zou warmen in de armen van John. Boos dacht ik, hoe zij mij inmiddels was vergeten. Ik was haar niet vergeten, maar stond hier wel met een ander. Was ik net zo erg? Wie had dit uitgelokt? Joyce wilde John niet kwetsen en zich aan haar belofte houden, dus was ze weer helemaal van John. En ik dan? Wat kon haar dat schelen, zij kon kiezen. Wat kon het mij schelen? Ik was niet alleen. Ik was net als Joyce met iemand anders. Ik had Noëlle. Troost en opwinding, alles ging door me heen. ‘Silent Night, Holy Night’
Mijn handen rustten onder de borsten van Noëlle, schoven iets hoger. Zij kwam naar voren, waardoor ik gedwongen werd mijn handen nog hoger te brengen. Ik voelde door haar blouse heen haar tepels hard worden. Haar hoofd leunde achterover tegen mijn borst. Zo bleven we staan luisteren naar woord en muziek. De hoop die kerstmis bracht, stortte mij eerder in onzekerheid, maar de wijze, waarop het lichaam van de kleine Française mij haar vertrouwen schonk, gaf mij een goddelijk gevoel. De kaarsen flakkerden in de luchtstroom tussen de pilaren en verlichtten in hun zwakheid de vrede, die over de menigte was neergedaald. Iedereen wenste elkaar een zalig kerstfeest.
Buiten was het licht gaan sneeuwen, Noëlle hield mij aan één kant warm, Françoise hield mij aan de andere kant op temperatuur, hun armen om mij heen. Een onschuldig tafereel, ik voelde mij goed. Polydor knipoogde naar mij zonder zijn lachende mondhoeken te verbergen.
Thuis plopten de kurken uit de flessen. We dronken een volle rode Bordeaux en keken elkaar aan met een veelzeggende lichtzinnigheid in de ogen.
Ik wenste iedereen goede nacht en vertrok naar mijn kamer. Ik keek Noëlle hoopvol aan. Het verlangen om met haar te slapen won het van mijn schuldgevoel. Noëlle beantwoordde mijn blik enigszins wanhopig. Haar opgeheven schouders en haar ogen, die naar haar vader wezen, vertelden mij genoeg. Het was ‘not done’ in het huis van de Kolonel, of twijfelde zij? Wilde zij mij niet in verlegenheid brengen of had zij een relatie? Die blonde Julien, had zij daar iets mee? Ik bleef vertwijfeld staan, maar Noëlle duwde mij zachtjes maar kordaat richting mijn slaapkamer.
Hoewel ik het gevoel had eeuwen in overpeinzing wakker te hebben gelegen, waarbij ik mijn tranen moest verbijten, soms uit verdriet, soms uit pure kwaadheid of jaloezie, moest ik toch hebben geslapen. Ik had haar niet binnen horen komen en het feit dat ze onder mijn dekens kroop, drong niet onmiddellijk tot mij door. Haar nachtkleding moest ze in mijn kamer hebben uitgetrokken. Ik voelde een fluweelzachte naaktheid tegen mij aan glijden. Ik sliep alleen in mijn onderbroek, waardoor ik gelukkig mijn eerste reactie op dit onverwachte bezoek kon verbloemen.
‘Hoi, vind je het goed dat ik bij je kom liggen?’
‘Ja natuurlijk, weet je het zeker, krijg je hier geen…’
Ze drukte haar vinger op mijn lippen.
‘Ssst, niet te veel praten, geen vragen, oké?’
‘Oké!’
Ze kroop in mijn armen, onze lijven verkenden elkaar. Zij trok aan het elastiek van mijn broek. Ik hielp haar en bleef haar zachtjes strelen, gaf haar kleine kusjes en likte het zilte vocht van haar borsten. Noëlle krulde haar lijf om mij heen, ketende zich aan mij vast, waarna we bleven liggen zonder te bewegen. We keken elkaar diep in de ogen, onze glimlach gleed over de glinsterende transpiratiedruppels, die zich in een straf tempo vermenigvuldigden. Langzaam kwamen we in beweging en voerden het ritme gestaag op. Plotseling duwde Noëlle mij met beide handen van zich af.
‘Je gebruikt geen condoom, kinderen maken doe ik later wel.’
Ze had gelijk, maar ergens kreeg ik de pest in. Waarom zo cru, zo zakelijk. Ik had heus wel opgepast. Ik wist natuurlijk, dat dit een drogreden was, ik was medeschuldig aan deze onachtzaamheid. Waarom voelde ik mij in mijn mannelijkheid gekrenkt? Zo mocht ik niet denken. Was mijn romantische insteek als een zeepbel uiteengespat?
‘Zal ik er één pakken?’
‘Nee, we doen het anders.’
Voordat ik kon vragen wat zij bedoelde, draaide zij haar lichaam en duwde ze haar hoofd in mijn kruis, ik voelde haar lippen… Ik wist niet wat mij overkwam, dit was mij onbekend.
‘Vind je dit fijn?’
‘Ja, te gek, maar weet je ik eh…’
Al snel wist ik mijn actieve rol in het totaal op te pakken en dompelde mij onder in de geheimen van het Franse liefdesleven, soixante neuf!
Noëlle verkrampte, waarbij zij iets in onverstaanbaar Frans uitriep. Ik wist zeker, dat dit in het huis te horen moest zijn en was daardoor mijn gevoel even kwijt. Het was een kwestie van seconden en dan zou haar vader binnenstormen en met de sabel, die hij ongetwijfeld had voor officiële bijeenkomsten, zou hij mijn pik aan flarden slaan, zodat dit spel voor mij verleden tijd zou zijn. Maar ik hoorde niets, er kwam niemand, ik gaf mij weer over.
Noëlle lag naast mij en rookte een sigaret. De rook kringelde grijs afgetekend in het donker naar het plafond. Ik volgde, liggend op mijn rug, iedere wolk tot die was opgenomen in het luchtruim van de kamer. Ik wilde kijken, niets zeggen, niets denken. Het gezicht van Joyce tekende zich in de contouren van de sigarettenrook en boorde zich in mijn geweten. Had ik dit niet moeten doen? Geef mij een reden. Zoveel had ik niet gedaan, alleen seks gehad. We hadden elkaar niet vol vuur en liefde in de ogen gekeken, onze lichamen waren kort met elkaar verbonden geweest. Het was een aangenaam spel en het is toch niet verboden een spel te spelen?
‘Pieter, gelul weet je, doe niet zo spastisch.’
Ik hoorde mijzelf praten. Noëlle draaide zich naar mij toe en legde haar hand op mijn borst.
‘Je ligt in jezelf te praten, is er iets?’
‘Nee, niet dat ik weet.’
‘Denk je aan je vriendin, heb je spijt?’
‘Ja, eh nee, ik bedoel ja, ik mis haar en nee ik heb geen spijt, of nou ja ik weet het niet.’
‘Je kan het rustig zeggen hoor. Ik voel mij niet gekwetst. Ik heb hiervan genoten. Maar ik ken jouw gevoelens, die heb ik ook.’
Noëlle kwam met haar gezicht boven mijn gezicht en drukte een lichte kus op mijn lippen.
‘Heb jij een vriend?’
‘Ja, die zit in Duitsland.’
‘Julien? ’
‘Ja. ’
‘O.’
‘Is hij niet jaloers?’
‘Hoezo, weet ik veel, is jouw vriendin jaloers?’
‘Weet ik niet, maar zij ligt nu waarschijnlijk in de armen van haar ex-vriend, die nog niet haar ex-vriend is.’
‘Wat lul je nou. Jij kan niet zien wat zij doet en ik kan niet zien wat Julien doet. Het leven is hier en nu.’
Wat een rake woorden, zij had gelijk. Ik wilde altijd zo leven en nu verviel ik in allerlei spasmen. Het was alsof ze met een toverstok de grauwsluier van mijn gedachten wist af te trekken. Het prettige opgewonden gevoel kwam weer over mij. Ik keek naar Noëlle, Noëlle naar mij, we schoten in de lach.
Wat niet weet, wat niet deert. Nee, dat was het niet. Respectloosheid, afstandelijkheid? Nee, ook niet. Het was voor ons een uitlaatklep. Het leven ging door, hier in Claouey. Ik pakte een condoom. Haar ranke zachte lijf zocht de behaaglijkheid van mijn naakte warmte, huid op huid, het ontsnappen van een zucht, lippen die elkaar zochten en dan stilte, alleen maar stilte, terwijl onze lichamen zich aan elkaar vastzogen, ‘Sound of silence’, Simon en Garfunkel.
De dagen tussen Kerst en Oud en Nieuw gingen snel. Noëlle sliep de nachten bij mij. Ik meende beschuldigende blikken van haar ouders te krijgen. Ik vermeed zoveel mogelijk één op één situaties, wat niet moeilijk was, omdat er altijd volk in huis was, vrienden, personeel, buren. De kolonel was gelegerd in Duitsland bij de restanten van de Franse bezettingsmacht, die na de tweede wereldoorlog was opgezet en kwam daarom maar een paar keer per jaar naar huis. Ik begreep niet, dat die mensen geen privacy zochten en alle vreemden het huis uit ‘bonjourden.’ Mijn vader en moeder waren het liefst alleen als mijn vader van zee kwam. Vaak bezochten zij een stad in binnen- of buitenland, waar zij heerlijk anoniem waren.
De verklaring, die Noëlle mij gaf over de houding van haar en haar moeder tegenover de vader, maakte mij hun verlangen om tussen veel mensen te leven duidelijk.
Polydor en Rina kwamen regelmatig langs. Noëlle en ik hadden uitgebreide gesprekken met Polydor over de toestand in Parijs en in de wereld. Over het studentenleven en de onaangename ontwikkelingen op de universiteiten.
‘Dat jullie je daar niet tegen verzetten!’
Uit de ogen van Polydor spoot het vuur van verzet. Onrecht en onnodige irritaties moesten bestreden en bespreekbaar gemaakt worden.
Van Noëlle begreep ik, dat de onvrede in Nanterre stevig was opgelopen en dat de discussies tussen studenten een hoge mate van verzetsretoriek ten toon spreidden, maar dat angst voor represailles sterker was. In de kringen van de Sorbonne waren die discussies er niet, hoewel in de kroegen van het Quartier veel politieke discussies werden gevoerd, waarbij het Franse onderwijsstelsel fel werd bekritiseerd. Een beweging zoals Provo in Nederland lag niet in de lijn der verwachtingen. Integendeel, het aantal anti-Vietnam demonstraties was op één hand te tellen en het optreden van de gendarmes was buiten alle proporties. Daarbij vond ik de Franse mentaliteit naar binnen gekeerd en weinig gevoelig voor externe excessen. Polydor was voor een harde oppositie, hij duldde niemand op zijn nek en vond dat iedere onzinnige maatregel, die persoonlijke en geestelijke vrijheid beperkte te vuur en te zwaard bestreden moest worden.
‘Je lijkt Julien wel,’ zei Noëlle, ‘ook zo’n heethoofd. Durf je dat tegen papa te zeggen, jullie zijn maatjes.’
‘Dacht je, dat ik dat nooit deed? Hij bekijkt de zaken vanuit een ander perspectief, maar wij hebben respect voor elkaars standpunten. Dat kan, je geeft elkaar de vrijheid om te denken en te zeggen wat je op je hart hebt en dat is een groot goed.’
‘Dus in mijn vader zit ook een rebel?’
‘Je hoeft geen rebel te zijn om je mening naar voren te brengen of om een ander zijn of haar mening in vrijheid te laten uitspreken.’
‘Nee, maar papa hoort bij het gezag.’
‘Nou en? Gezag kent veel varianten, waaronder slechte, en hele goede. Naar mijn mening bivakkeert jouw vader niet in het slechte gebied. Dan hadden wij nooit vrienden kunnen worden.’
‘Eenmaal verzetsman, altijd verzetsman’, opperde ik.
‘Nee Pieter, zo zit dat niet. Ik heb mij verzet tegen de bezetting en onderdrukking. Ik heb gevochten voor vrijheid van lichaam en geest. Mijn vrijheid laat ik mij niet afnemen. Als de strijd voorbij is, dan moet je er niet op terugkomen en verzet gaan plegen om het verzet alleen. Hoeveel mensen hebben zich na de oorlog op de borst geslagen, omdat zij in het verzet hadden gezeten? Ze hadden de grootste mond en deden fanatiek mee in het bestraffen van de zogenaamde ‘foute’ landgenoten. Dat waren geen echte verzetsmensen. Het waren van die mensen, die zich pas bij het verzet durfden aan te sluiten, toen zij zagen welke kant de oorlog uitging. Het echte verzet had allang haar doel bereikt en trok zich terug. Wij spraken er niet meer over. Voor ons was de oorlog afgelopen. Mijn gevangenschap heeft zich helaas in mij genesteld, dat krijg ik niet meer uit mijn hoofd. Die Duitsers hebben van mij gewonnen. Ik probeer mij daartegen te verzetten, maar kan het niet. Mijn psychiater krijgt het niet uit mij. Bang zal ik nooit zijn. Ik zou morgen weer beginnen als mijn vrijheid en die van mijn gezin en vrienden in het geding kwam.’
Noëlle en ik keken elkaar timide aan. De woorden van Polydor waren geladen met vuur en met een vorm van berusting. In die volgorde: eerst vuur en als het vuur vernietigend genoeg is geweest om het slechte te verbranden, dan kun je berusten in het doven van de vlammen. Polydor’s boodschap was duidelijk.
Elkaars fysieke en geestelijke vrijheid beknotten was ondenkbaar. Noëlle was ervan overtuigd, dat Julien en de rode Danny er net zo over dachten en dat zij op elk moment dat vuur konden aansteken en wat gebeurde er dan? Wie wist het?
Françoise kwam ons ophalen. Wij hadden afgesproken om met een aantal jonge mensen uit Claouey naar een restaurant te gaan, de oudjes aten thuis.
Een antieke spoorwagon met fraai gerenoveerde compartimenten. Het was het meest trendy restaurant tussen Dune de Pyla, de grootste zandduin van Europa en Cap Ferret, de laatste plaats van het schiereiland ten westen van het Bassin d’ Arcachon. Het was donker, waardoor ik mij onderweg naar het restaurant niet kon oriënteren en het gevoel had in een onherbergzaam gebied midden in de bossen te zijn.
De ober liep met een karretje door het pad tussen de compartimenten om aan de authenticiteit van een restauratiewagen zoveel mogelijk recht te doen. Wij pasten met zes mensen op twee banken in een coupé met tussen ons een smalle tafel, wit en chique gedekt. Boven ons prijkte een bordje met het passende opschrift: première classe. Ik dacht: ‘Last train to Clarksville’, (Monkees).
Ik begon mij ongemakkelijk te voelen over de rekening, die op tafel zou komen en die boven mijn budget zou uitstijgen. Ik fluisterde Françoise in het oor of zij wist dat we in zo’n dure tent zouden eten.
‘Ja joh, maar dat betalen wij niet hoor!’
‘Wie dan wel?’
‘De Kolonel.’
‘Waarom?’
‘Hij wil brallen in het bijzijn van z’n vrienden, daar heeft hij die respectloze jeugd niet bij nodig. De drank betaalt hij maar voor de helft. De vorige keer hebben we hem een behoorlijke poot uitgerukt en daar is die knakker op teruggekomen.’
De boodschap in haar licht Rotterdamse tongval streelde mijn oren.
‘Jouw vader lijkt mij geen man, om dat gebral passief aan te horen.’
‘Pa kan goed met hem opschieten, die twee voelen elkaar feilloos aan en dat beetje poeha neemt hij op de koop toe.’
‘Waar kennen die twee elkaar van?’
‘Ze hebben samen in het verzet gezeten.’
De bestelde drank kwam in afwachting van het eten en was snel verdampt. Er was afgesproken één fles rode wijn te bestellen. Waarom begreep ik niet precies. Ik vond het prima en zonder ernaar te vragen werd de reden van de afspraak mij duidelijk.
Mijn Franse vrienden hadden een remedie ontwikkeld tegen het teruggeschroefde drankbudget.
De ober parkeerde zijn karretje naast onze coupé, als hij de overige gasten van de bestellingen voorzag. Op de bodem van de wagen stond een groot aantal flessen wijn. Het aantal verminderde in een oogwenk met drie flessen, die onder onze bank verdwenen.
‘Jezus, Françoise, krijgen we daar geen gedonder mee?’
‘Nee joh, die man is zo dom, weet je. Volgens mij geven ze hem foto’s mee van de gerechten met de nummers van de coupés erop, omdat hij in staat is een gebakken tong te verwarren met een entrecote. Bovendien, tegen deze jongens durft niemand wat te zeggen. Hun ouders komen hier regelmatig en dan wordt hun rekening omhoog geschroefd, zo komt dit weer terug.’
Ik was heel wat gewend, maar dit ging over mijn grens. Zonder dat wij bijbestelden bleven onze glazen vol en niemand sprak ons eropaan. Een ‘Strange effect,’ dat Ray Davies van the Kinks speciaal schreef voor Dave Berry.
Saint Sylvestre, de tijd vloog. Voorbereidingen voor de laatste avond van het jaar waren het aankopen van voedsel en drank in één van die knettergrote supermarché’s. Een wand van vijftig meter rode wijn en vijftig meter wit, champagnes in alle soorten en maten, honderden meters ‘non-food’ en ruim bemeten hoeken met vis, vlees en specialiteiten. En niet te vergeten de melkproducten, waanzinnig. Wat mij het meest verbaasde was, dat Fransen het verpakte Hollandse witbrood kochten als bodem voor de hartigheden, waar wij in Nederland juist stokbrood voor gebruikten. De gewoonte was, begreep ik van Polydor, waarmee ik samen een deel van de boodschappen inkocht, dat er op oudejaarsavond champagne werd gedronken en niet zoals bij ons pas om twaalf uur. Het aantal flessen dat wij insloegen sprak boekdelen.
Waar zou Joyce zijn? Zij was niet uit mijn hoofd geweest, de gedachte aan haar eindigde in een negatief gevoel. Was zij thuis aan het helpen met het voorbereiden van de avond, samen met John hapjes maken? Samen lachen om de geluiden, die uit de tube met mayonaise kwamen en nog meer plezier om het uitsmeren van die mayonaise op elkaars mond. Alles eindigde in een omhelzing, misschien gingen ze snel even naar haar kamer. Het was zo perfect allemaal, de sfeer oer Hollands. En ik, ik stond in een tochtige Franse supermarkt met lange kale gangen te dagdromen. Als er ‘dagmerries’ zouden zijn, was dit er één. Stemmen in mijn hoofd vertelden mij haar los te laten. Ik zou haar nooit alleen hebben. Tegenstemmen beweerden dat Joyce het niet naar haar zin had, naar mij verlangde en harde gesprekken voerde met John over haar toekomst, die met mij was, niet met hem. Voor mij was het een beklemmend gevoel tussen twee uitersten. Noëlle vormde een tijdelijk baken, een vluchtheuvel om de zandstorm in mijn hoofd even los te kunnen laten. Een baken om mijn neiging tot neerslachtigheid te ontvluchten. Wij zochten elkaar door het gemis, maar overschreden gevaarlijk de kwetsbare grenzen van intimiteit, waar verliefdheid en de overgang naar een emotionele band op de loer lag.
De avond werd onmiddellijk ingezet met het vullen van de champagneglazen; uren voor de jaarwisseling. Een bont gezelschap van vrienden, familie en huispersoneel proostte op… tja waarop kon je proosten voorafgaand aan het nieuwe jaar? Ik stond naast Rina en Françoise lekker in eigen taal te kletsen tussen de gesticulerende Fransen. Wat een prachtvrouw was Rina, rustig, altijd een luisterend oor, vol humor en goede raadgevingen, een warme moeder voor Françoise, een geduldige vrouw voor Polydor, een geweldige gastvrouw en een graag geziene gast. Wij roddelden over de mensen om ons heen, die in de drukte allemaal een woord wilden wisselen met Papa ‘Le Colonel’. Het witbrood uit Holland kwam langs, rijkelijk belegd met zalm en andere vissoorten. Zelfs de kaviaar werd uitgesmeerd op het soort brood, dat mijn moeder nooit in huis wilde hebben. De glazen werden direct bijgevuld wanneer zij leeg waren. Rina adviseerde mij er een restje in te laten. Een Fransman schenkt nooit bij! Volgens Polydor zou dat een doodzonde zijn, het was de wijn vermoorden. Dat gold volgens hem ook voor champagne. Het begon halverwege de avond lastig te worden om mijn glas te laten staan; de behoefte naar de champagnesmaak, de bubbeltjesregen op mijn tong, werd steeds groter. Langzaam kwam ik in het verrukkelijke stadium van de roes zonder herinneringen, de roes van het genieten van het hier en nu, dat prettige gevoel van ongeremdheid. De muziek, veel walsen, werd harder gezet en de mensen om mij heen probeerden zich lodderig op de been te houden door hangend in elkaars armen een vorm van dans ten toon te spreiden. Noëlle en ik walsten lichtvoetig het nieuwe jaar in.
Drie vuurpijlen en een lichtkogel, Claouey vierde de jaarwisseling. Iedereen omhelsde elkaar langdurig, vurig was de omhelzing met Noëlle tot Polydor ons aftikte. ‘Changez!’ Ik omhelsde de man, die in een paar dagen veel meer was geworden, dan de man aan het meer. Hij was een vriend, raadsman, waarmee ik graag wilde praten. Het was voor mij heel dubbel: gelukkig nieuwjaar wensen en afscheid nemen. In de ochtend moest ik richting Parijs en dan richting Rotterdam. ‘Ik kom naar Parijs, dan zie ik je’, beloofde Polydor.
Zelfs de kolonel sloot mij in zijn armen en wenste mij een gezond en gelukkig jaar. Rina, Françoise en de moeder van Noëlle hielden mij lang vast en lieten openlijk hun tranen zien. Ik moest slikken om mijn emoties in toom te houden. We waren van elkaar gaan houden en ik was die mensen dankbaar voor de onverwacht geweldige dagen, die zij mij hadden bezorgd in dit heerlijke Franse dorp.
Op de rand van het bed dronken we een laatste glas champagne. Ik wilde ons aflopende samenzijn zo intens mogelijk beleven. Als een roofdier viel Noëlle mij aan, gromde, klauwde haar handen in mijn huid, verscheurde mij in een roes, die ons te dicht bij elkaar bracht. Het kon ons niet schelen. We voelden ons tot elkaar aangetrokken, maar wisten dat het niet genoeg was, we wilden het niet weten. Geen Julien, geen Joyce, niemand kwam tussen ons. ‘Did you ever have to make up your mind,’ The Lovin’ Spoonful. Ik keek naar Noëlle, wat een schoonheid! Noëlle drukte haar mond met haar parelwitte gebit tegen mijn ogen en likte voor de tweede keer de tranen die bij mij loskwamen. Ik deed hetzelfde bij haar. ‘Love is a hurting thing,’ Lou Rawls. Voor de laatste keer lieten we onze hartstocht de vrije loop. Het was inmiddels 1968.
Niko van der Sluijs


