Hier alweer het achtste hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricades, Parijs 1968’ van Niko van der Sluijs.
Nieuwsgierig hoe het verder gaat? Over 14 dagen vind je hoofdstuk 9 op deze site.
Achterblijven in Parijs met de kerstdagen en de jaarwisseling. Het dreigde mij te overkomen. Alles ging anders door gesprekken in de kroeg. En passant kreeg ik een van de aanleidingen mee van de latere studentenopstand.
8. Petite Jule
‘I Feel Like I’m Fixin’ to Die’’
Dromerig stonden Jos en ik in een lange rij voor een Chinees restaurant, of was het een Vietnamees? Geduldig wachtten we op een tafel. Ik had trek, het water liep mij in de mond door de luchten, die onze richting opkwamen. De geur van de gerechten was de belangrijkste reden om te blijven staan, de begeerte naar dat lekkers daarbinnen, waar de gasten aan tafel genoten van wat hen was voorgeschoteld. Jos was in een serieus gesprek gewikkeld met een dikke man, die volgens mij geen honger kon hebben en de rij nodeloos langer maakte.
Joyce was twee dagen geleden naar Rotterdam vertrokken om de decembermaand thuis door te brengen. Jos was een paar dagen met toeristen in Parijs. Dat laatste was voor mij een prima afwisseling, anders had ik waarschijnlijk op mijn kamer zitten kniezen vanwege het vertrek van Joyce. Ik was stinkend jaloers en somberde in de visioenen, die ik had over Joyce met John. Zij had mij gezegd met John over de situatie te praten, maar ik geloofde er niets van. Ze zou hem vast weer om zijn nek vliegen en met hem willen vrijen. Vier dagen geleden hadden we ruzie gehad over het onderwerp. Joyce zei zich aan de afspraak met John te houden en was niet van plan hun relatie te verbreken, zolang zij in Parijs zou zijn. Ik stelde daar tegenover, dat onze verhouding dus overspel was en dat dit ook niet eerlijk was tegenover John. Koppig bleef Joyce volharden. ‘Dan maar overspel’, stelde ze. Lang en emotioneel hebben we gediscussieerd tot we met betraande ogen inzagen, dat het voor ons allebei een te complexe situatie was. Uiteindelijk gaf Joyce met een dun stemmetje aan, de afspraak met John te willen verbreken.
We hebben daarna de nacht ochtend laten worden zonder te stoppen met vrijen. Onze lichamen zweefden in een ballon vol passie, zochten en vonden een overweldigende cadans. Haar zachte huid warmde mij in al mijn vezels, onze verstrengeling schreeuwde om nooit meer losgelaten te worden. Ik had mij niet moeten oprichten en haar verdrietig in de ogen moeten kijken. Dat prachtige blije gezicht kreeg een broze ongelukkige uitdrukking. Joyce begon in mijn armen zacht te snikken. Haar tranen druppelden op mijn schouder en gleden naar mijn borst waar ze zich vermengden met de plasjes vocht, die waren gevormd op de plaats waar haar borsten mijn huid zachtjes ingedrukt hadden. Ik zei niets, ieder woord zou te veel zijn geweest.
‘Misschien wil ik even alleen zijn’.
‘Ik begreep het.’
‘Go now’, The Moody Blues.
In het Gare du Nord tochtte het die dag meer dan anders. Een koude wind tartte de reizigers op de perrons; de afgetekende sfeer om afscheid in te nemen. De koude kleur van de scheiding kwam terug in een blauwzwart gat met ongeduldige treinen, klaar voor het Noorden. Joyce en ik stonden dicht tegen elkaar aan. Een laatste kus, een laatste traan, het vertrek, zwaaiende armen, waarna slechts de twijfel restte. Voor mij zag ik station Rotterdam Centraal, zwaaiende armen, de man met de dikke bril en zij lachte blij… Ik stortte in en zocht begeleid door een lange fluittoon de steun van een bank op het perron. Uren daarna realiseerde ik mij, dat de kou ondragelijk werd en mijn verdriet niet te stelpen was, al zou ik hier dagen zitten. Ik wankelde richting metro station ‘Yesterday, all my troubles seemed so far away, now it looks as though they’re here to stay, Oh I believe in yesterday’, Beatles.
Eindelijk binnen bij de Vietnamese Chinees vertelde Jos mij uitgebreid over de situatie thuis. Margot was regelmatig op reis met haar band en Jos had besloten die leemtes op te vullen met gezellige vriendinnen. Hun verhouding was niet helemaal kapot, maar de voering hing er volgens Jos een behoorlijk stuk uit. En de band was weer bij elkaar geweest. De drie mannen waren terug uit Duitsland en ook Hofje was weer boven water. Onze klasgenoot en superprovo Robbie Prins had mijn plaats overgenomen en Hofje had zich over Betty ontfermd. Ik voelde niets, geen enkele jaloezie, eerder berusting en opluchting.
‘Ja logisch, ik heb geen reet meer van me laten horen. En, Robbie nog aan de marihuana?’
‘Volgens mij wel, Piet en behoorlijk ook. Ik denk, dat hij de laatste nummers nauwelijks mee heeft gespeeld, zo duf was ie.’
Robbie, de held van onze klas en omstreken, die op zijn vakantie in Griekenland gepakt werd voor het ‘bij zich hebben van drugs’. Hij werd in de gevangenis gezet, een straf van tientallen jaren hing boven z’n hoofd. Op verzoek van Buitenlandse Zaken mocht hij zijn proces afwachten in een hotel. Hij werd regelmatig bezocht door iemand van de ambassade, kreeg een advocaat toegewezen en mocht verder met niemand contact hebben. De vriendin van Robbie, een prachtige, blonde Zweedse, had hem samen met een vriend opgespoord via een Griekse kennis, die op de ambassade werkte.
Later heeft Rob in geuren en kleuren verteld, hoe hij met z’n vriendin het hotel is uitgelopen, zonder dat iemand hem tegenhield en vervolgens bij haar en de vriend in de auto is gestapt en naar Patraz werd gereden. Liggend op de vloer van de auto met een plaid over hem heen hebben ze hem op de boot naar Ancona weten te krijgen en in Italië op dezelfde wijze aan wal gebracht. Drie dagen later was hij in Nederland. Voor ons was Robbie een held. Wat niemand begreep, was, dat hij weer toegelaten werd op onze school, terwijl lang haar al een reden was van school gejaagd te worden.
Jos vertelde, dat er plannen waren om in de eerste week van januari met de band op te treden in de PamPam in Scheveningen. Het walhalla van de Nederlandse bands, Shocking Blue, Q 65, Golden Earrings, Sandy Coast, The Outsiders en ga zo maar door. Daar wilde ik ook wel staan.
‘Kom dan de naar Nederland met de kerst en blijf nog even in januari.’
Dat ging niet lukken, mijn moeder was met mijn vader mee op het schip en ik wilde niet geconfronteerd worden met een boze Betty of een Joyce, die fijn met John Kerstmis en Oud en Nieuw vierde, gadver nee! Ik kon wel proberen in januari te komen om mee te gaan naar Scheveningen. Ik moest sowieso in januari terug voor de verplichte keuring voor militaire dienst. Bullshit natuurlijk, maar ik kon beter gaan. Niet gaan was het riskeren van een gevangenisstraf. Jos vond het een perfect idee, dat ik dan mee zou spelen met de band en zou het voorleggen aan de jongens. ‘Overigens Julius en Jan Prins wilden voorgoed naar Duitsland om daar te gaan spelen, dus het zou zomaar het laatste optreden kunnen zijn van onze oude formatie’.
Op mijn beurt vertelde ik over de onrust op de Universiteit van Nanterre. De situatie was ridicuul, meisjes en jongens leefden strikt gescheiden. Een studente, die een man op haar kamer op de campus ontving, kon onmiddellijk vertrekken. Datzelfde gold ook voor studenten die dames ontvingen.
‘Josje, is dat nou het resultaat van uren leuren met Provo[1]? Is dit de bedoeling geweest van Luud [2]? Die moet dat toch anders bedoeld hebben.’
‘Piet, dit is geen Nederland. Heb jij hier ooit een witte kip op straat gezien? Hier is geen Lieverdje. Amsterdam is gewoon groter dan Parijs, maar dan anders’
We schoten in de lach, onze conversatie lag aan flarden.
‘Jos, heb jij John nog gezien in Rotterdam?’
‘Ja, lastig, hij vertelde mij dat zijn vriendin met de feestdagen naar Nederland zou komen. Meer niet, omdat ik zo snel mogelijk van dit gesprek af wilde en een ander onderwerp aansneed.’
‘Zie je wel, ze gaat hem niet aan de kant zetten, ze laat mij barsten!’
‘Hé Piet, wie heb jij allemaal laten barsten? Heb jij recht van spreken? ‘
‘Ik weet het, maar dit is anders.’
‘Anders? Dit is Parijs man, hier is alles anders, maar wij zijn niet anders. Hoelang blijf je hier nog? Neem het ervan, leef, dit is Parijs man.’
‘Jij hebt lekker lullen, jij voelt niet, wat ik voel voor haar! Wat heb ik aan die onzin over Parijs?’
‘Ik ken dat Pieter, maar gevoel is gevoel en dat gaat over. Jouw gevoel is meer boosheid dan verliefdheid. Je bent jaloers op John en dat overheerst bij jou. Stel dat John wist wat er hier is gebeurd, hoe zou hij zich dan voelen?
‘Tja…’
Wat maakte mij dan nu zo somber. Mijn jaloezie of mijn gevoel van verlatenheid?
Onwillekeurig dacht ik aan het gedicht, dat ik vorig jaar in de Cirkel[3] schreef? Mijn somberheid over de breuk met Anja vertaalde zich in ‘Als mijn tranen voorbij zijn’
Ik zag de eerste regels weer voor me, zoals die in de Cirkel waren afgedrukt.
Als mijn tranen voorbij zijn,
ben jij al zacht voortgegleden
over zee, meegenomen door
de golven in het smaragdgroene water…
De Cirkel, een mooie tijd. De keer dat Ferre Grignard, ‘What shall we do with the drunken sailor … en Ring, ring I’ve got to sing…’, in Rotterdam optrad en dat wij, de redactie van de Cirkel, hem zouden interviewen in Hotel Centraal aan de Hoogstraat. We werden geweigerd vanwege onze kleding met een verfijnde verwijzing naar onze haardracht. Dat heeft de hotelmanager geweten. De volgende dag werd er een provo-manifestatie gehouden voor en gedeeltelijk in de ingang van Hotel Centraal. Die kakkers hebben die dag niet één klant binnen gehad. De avond ervoor hebben we met de Belgische zanger tot diep in de nacht bij Café Timmer[4] gezeten op de Oude Binnenweg in het overgebleven oude Rotterdam.
Ik werd ruw uit mijn dromen gehaald door iemand, die mij op beide wangen kuste. In mijn eerste onwennige oogopslag zag ik een vrouwspersoon hetzelfde doen bij Jos. In tweede instantie pas ontwaarde ik Noëlle, onze redster bij l’Opéra.
Noëlle at samen met een aantal studenten uit Nanterre in het liberale Quartier Latin. ‘Stukken beter, dan dat fabrieksgevoel van Nanterre.’
Ze stond op het punt te vertrekken, maar wilde met alle geweld een afspraak met ons maken. ‘Morgenavond zeven uur bij De Polidor?’
Een entourage van rumoer, spiegels, kanten gordijnen en lange houten tafels, waaraan wij face à face neer werden gezet door een vriendelijke serveerster. Jos tegenover mij, Noëlle naast hem. Aan de andere kant van mij zat een spraakzaam meisje met haar rug naar mij toe te oreren tegen een man, die haar kennelijk vergezelde. Het leek een professor, of een docent, die één van zijn studentes eens recht in de ogen wilde kijken. Net als bij onze eerste ontmoeting was Jos volop in gesprek met Noëlle, zodat ik alle tijd had haar rustig te bekijken. Mooie felle donkere ogen, zwart haar, brede jukbeenderen, een eeuwige lach op haar gezicht. Veel gelijkenis met Joyce, maar niet dat fijne, die fragiliteit, die Joyce maakte tot die unieke schoonheid. De open vrolijke blik van beide dames was identiek, de eigenwijsheid of vastberadenheid van Joyce kon ik bij Noëlle nog niet meten. Jos werd volledig in beslag genomen door onze Franse vriendin. Ik zag geen kans mij in het gesprek te mengen en dook met mijn neus in de mok met dampende koffie, die je in geen gelegenheid in Parijs beter kon krijgen dan hier, bijna Nederlands.
Jos moest de volgende ochtend terug naar Rotterdam. Ik zou begin januari terugkeren voor de verplichte keuring voor militaire dienst. Voor de dienstplicht zou ik naar verwachting uitstel en afstel krijgen wegens studie. De keuring was verplicht, er was geen keus. Het voordeel was, begreep ik nu, dat ik mee kon spelen met de band in de PamPam in Scheveningen. Een optreden dat op de zaterdag na mijn keuring gepland was. Daarna zou ik weer naar Parijs vertrekken. Ik bedacht mij, dat ik, door mijn bezoek aan Nederland, Joyce een maand niet zou zien. Zij zou op twee januari naar Parijs teruggaan, terwijl ik die dag naar Rotterdam zou afreizen. Onze treinen zouden elkaar passeren, zonder dat we een flits van elkaar zagen, maar de warmte zouden we toch moeten voelen? Hoewel warmte? De adem van John zou als een dichte wolk om haar hangen, die haar nog vulde met heimwee naar de feestdagen. Zou ze hand in hand met John naar de nachtmis gaan, het Ave Maria met passie meezingen of met tranen in haar ogen het koor aanhoren, dat ‘When a child is born’ zingt? Mijn lichaam spande zich in opkomende jaloezie.
‘Pieter, wat is er met jou? Kan jij niet meer praten?’
De vraag van Noëlle trok mij in één klap boven water. Zij zaten hier gezellig te praten, terwijl ik bijna verdronk in mijn donkere gedachten.
‘Sorry, ik droomde even weg, jullie waren zo druk in gesprek.’
Noëlle richtte zich tot mij. Jos raakte op dat moment direct weer in gesprek met een vrouw aan zijn andere kant.
‘Ik begrijp van Jos, dat jij niet teruggaat naar Nederland met Kerstmis?’
‘Dat klopt, ik heb er niets te zoeken. Ik vermaak mij wel met mijn kamergenoten, als die tenminste niet teruggaan naar huis?’
‘Lekker duidelijk allemaal, moet je nog werken?’
‘Nee, dat niet, maar mijn familie vertoeft ergens in het buitenland, dus ik heb weinig keus!’
Ik had het niet zielig willen zeggen, maar het kwam er wel zo uit. Ik was alleen en dat leek moeilijker te zijn om uit te leggen dan ik van tevoren had bedacht. Ik keek naar Jos, wat had hij allemaal verteld?
‘Je vriendin is naar Holland gegaan, begrijp ik van Jos en volgens hem was het niet mogelijk dat je met haar meeging?’
‘Dat heeft hij juist opgemerkt.’
Ik kon de bittere klank van mijn antwoord niet omzeilen, waarom moest dit nu ter sprake komen?
‘Heb je zin om met mij mee te gaan? Ik ga naar mijn ouders in Claouey. Je bent van harte welkom.’
‘Claouey, waar ligt dat?’
Meer kon ik niet uitbrengen, een uitnodiging uit het niets van een Franse jonge vrouw, die ik nauwelijks kende, wat een onzin!
‘Vlakbij Bordeaux. Ik meen het hoor.’
‘Ja, je ouders zien mij aankomen. Wie is dat Noëlle? Tja dat weet ik eigenlijk niet, maar hij bleef alleen in Parijs achter, dus ik dacht…Nodig je iedereen uit, die alleen achterblijft met Kerst?’
‘Voel je niet verplicht!’
Ik slikte, had spijt van mijn onhandige opmerking. Jos verschuilde zich tactisch in het gesprek met zijn buurvrouw en Noëlle bleef mij ondanks haar bits uitgesproken woorden verwachtingsvol en vriendelijk aankijken. Een vreemde vrouw, mooi, mysterieus met Mona Lisa trekken, die glimlach, die mij zonder dat zij haar hoofd bewoog, bleef volgen en bleef raken. Zou ik met deze vrouw mee kunnen gaan naar het zuidwesten van Frankrijk om weg te zijn van alle herinneringen hier? Hoe saai zou Parijs zijn zonder iedereen?
‘Sorry. Noëlle, zo bedoel ik het niet, maar het verraste me. Geef me een reden, waarom je mij vroeg mee te gaan.’
‘Gewoon omdat ik jullie aardig vind en graag met jullie wil praten. Met Jos gaat dat niet, maar jij bent vrij, dus waarom niet?’
‘Daar heb je een punt.’
‘Morgenmiddag twee uur Gare de L’Ouest. Ik regel kaartjes, perron vier bij de eerste klok, oké?’
‘Oké.’
Jos draaide zich verder weg, zodat ik zijn grijnzende smoelwerk niet kon zien. Wat had die gast geregeld? Het kon mij geen donder schelen, het gaf mij een gevoel van opluchting niet aan Parijs vast te zitten met de Kerst en de jaarwisseling. Misschien gingen mijn huisgenoten allemaal weg en was ik aangewezen hier te blijven en mijn kerstdiner ‘face à face’ uit te zitten met een achtergebleven student of docent in De Polidor.
Noëlle was opgestaan en omhelsde een achter haar verschenen jonge man. Lang, blond, een mooie jongen met een indringende blik. Hij had een uitstraling, zoals je zelden tegenkwam. Zoiets van ‘wie doet mij wat’, maar tegelijkertijd innemend en overtuigend.
Noëlle stelde hem aan ons voor als Julien een student van Nanterre. ‘Zeg maar Petite Jule, daar reageert hij beter op.’
‘Petite? Terwijl die kerel zo lang is? Ga ik hem ook zien in dat dorp van jou?’
‘Nee, Jule gaat zijn moeder opzoeken in Duitsland. Anders had dat best gekund.’
Julien schoof aan om wat met ons te drinken. Het was een geweldige prater, niets bleef in de korte tijd dat we in De Polidor zaten onaangeroerd. Hij was in Frankrijk geboren, had gedurende zijn jeugd in Parijs gewoond. Zijn ouders kwamen oorspronkelijk uit Duitsland en hij was na de scheiding van zijn ouders met zijn moeder naar Duitsland verhuisd. Julien studeerde nu sociologie in Nanterre, maar had de grootste moeite met de overgang van de middelbare school in Duitsland naar het Franse universitaire onderwijssysteem. Dat herkende ik maar al te goed. Het verschil tussen mij en Jule was, dat het mij niet interesseerde. Ik liet het over mij heen komen en bleef als volgeling van Vincent de Gournay met zijn ‘Laissez faire et laissez passer’ op een afstand toekijken en mijn eigen gang gaan. Petite Jule vertelde vol vuur zich daar niet bij neer te leggen, bij het verroeste systeem, willoos accepteren was geen optie.
Het was opvallend hoe vaak Julien op zijn schouders werd geklopt of handen moest schudden met studenten en docenten. Noëlle zag mijn verbaasde blik.
‘Ja, Julien is populair onder studenten en docenten, die anders willen. Tenminste als de studenten niet bij de fascistoïde kant horen, maar die komen hier niet.’
‘Vanwaar die populariteit?’
‘Heb je nooit gehoord van de relletjes in Nanterre van vorig jaar?’
‘Ja, ik heb begrepen dat daar gedonder is over het verbod voor mannelijke en vrouwelijke studenten om elkaar op de campus op te zoeken. Ik vind dat een belachelijk maatregel, daar zou ik mij ook tegen verzetten.’
Noëlle vertelde over Nanterre, dat er een groep studenten was, die protesteerde tegen de rigiditeit van de universiteit, die de vrije toegang voor jongens tot het meisjeshuis verbood.
‘Andersom ook?’
‘Ja natuurlijk, sukkel.’
‘Grapje.’
Studenten werden als minderjarig beschouwd, al waren de meeste één en twintig jaar of ouder. Een groep mannelijke studenten verklaarde een tijd geleden de oorlog aan dit soort idioterie en was uit protest de meisjescampus opgegaan en door de dames binnen gelaten. De politie probeerde op verzoek van de rector de mannen te arresteren. Dat ging niet gemakkelijk, omdat de studenten de boel hadden gebarricadeerd. De politie had het huis omsingeld, maar werd op haar beurt omsingeld door andere studenten, waardoor er een grimmige situatie ontstond. Hier durfde het universiteitsbestuur geen verantwoordelijkheid voor te nemen en vroeg de politie te vertrekken. De studenten konden vrij naar buiten. Verder is er weinig gebeurd, maar de regels werden niet veranderd.
‘We hebben in ieder geval een signaal afgegeven. Allemachtig Pieter, we waren woedend. En niet een enkeling, nee allemaal. Dat was een te gek gevoel, weet je.’
‘En wat had Julien daarmee te maken?’
‘Jule was één van de indringers en deed volop mee aan het verzet. Zijn medestudent Daniel Cohn –Bendit, die vanwege zijn rode haar Danny ‘le Rouge’ wordt genoemd, was misschien wel de belangrijkste initiatiefnemer, maar zeker niet de enige die de moraliteit van de Franse universitaire samenleving onderuit wil halen. Julien vindt Danny een held, eindelijk iemand die de Fransen wakker schudt. Die gast is nergens bang voor. Julien is dat ook niet en dat inspireerde ons en nog steeds.’
‘En jij?’
‘Ik woonde toen nog in dat huis. Ik ben daarna naar de Sorbonne gegaan en van de campus afgegaan.’
Julien volgde lachend het relaas van Noëlle. Ik wist dat het onrustig was in Nanterre, maar niet dat het zo heftig was geweest. Ik realiseerde mij, dat ik lang had gedacht dat Provo het enige jeugdprotest was en dat het rumoer daar omheen typisch Nederlands was. Ik ging ervan uit, dat de jeugd in de landen om ons heen in een diepe slaap was gevallen en geen oog had voor de wereld om zich heen. Later bleek ik dat mis te hebben, toen in België en in Duitsland protesten de kop op staken, die de Nederlandse protesten overtroffen.
We kwamen op de Vietnamdemonstraties, die in Parijs in eerste instantie nauwelijks werden gehouden op een incidentele na (waar Jos en ik in terecht waren gekomen), maar in Nederland en Duitsland des te meer. Wij veronderstelden, dat de Fransen te egocentrisch, of te chauvinistisch waren om zich te bekommeren om zaken buiten Frankrijk. Volgens Petite Jule en Noëlle was dat niet het geval. Er waren wel degelijk demonstraties, veel meer dan wij dachten, maar er was een zekere terughoudendheid, omdat men bang was dat de Franse regering hard zou ingrijpen. Net als bij protesten tegen de oorlog in Algerije zouden er doden kunnen vallen. De politie schoot toen met scherp en dreef demonstranten de Seine in, waarbij een aantal verdronk. Maar zoals gezegd waren er wel degelijk demonstraties tegen de Vietnamoorlog. Waar ik het in Nederland, gerelateerd aan de Provobeweging, keihard vond toegaan, vond de blonde man aan de andere kant van de tafel dat helemaal niet. Anders dan in Duitsland, waar demonstraties met harde hand uiteen werden geslagen. Dat pareerde Jos door op te merken, dat de politie in Nederland schofterig optrad, gezien zijn nog steeds gevoelige schouder. De vriend van Noëlle ging daar overheen door het doodschieten te noemen van Benno Ohnesong in juni bij een demonstratie tegen het staatsbezoek van de Sjah van Perzië. Wij moesten toegeven dat in Nederland niet geschoten was, ook niet bij de rellen tijdens het huwelijk van prinses Beatrix en Claus von Amsberg. Maar dat het zover zou komen was niet uitgesloten. Overal in de wereld leek de boel op z’n kop te staan, de kans op escalaties werd met de dag groter.
‘Wij,’ betoogde Petite Jule, ‘moeten voorkomen hand- en spandiensten te verlenen aan een overheid, die van origine autoritair is en fascistische trekken heeft.’
Eensgezind namen we afscheid.
‘Een bijzondere kerel’, zei Jos.
Grappig, dacht ik. Die Jule sprak over president de Gaulle als de dictator, die goede sier maakte door de vredesbesprekingen over Vietnam naar Parijs te halen. Ik had mij tot op dat moment nooit gerealiseerd in een republiek te wonen met een dictator. Het enige wat ik bij het noemen van zijn naam voor mij zag, was de enorme neus van die man.
Ik kon het gesprek niet loslaten, waarom was mij onduidelijk.
Ik had afscheid genomen van Jos met de afspraak twee januari naar Nederland te komen.
In bed lag ik nog na te denken over de woorden van Julien. Zijn geëngageerdheid met de wereldpolitiek werkte aanstekelijk. De passie waarmee hij sprak over de rassenscheiding in de Verenigde Staten, ondanks het stemrecht dat door president Johnson aan ‘zwarten’ was toegekend. Over Martin Luther King, de man met die indrukwekkende toespraak ‘I have a dream’, ‘Wasted Words’, The Motions.
De afschuw in zijn ogen, toen Petite Jule president Johnson aanhaalde, de man van de nachtmerrie, die Vietnam heette. Hoewel Johnson er zelf waarschijnlijk niet wakker van zou liggen:
‘Meneer de president, welterusten, slaap maar lekker in je mooie witte huis, Denk maar niet aan al die jonge frontsoldaten eenzaam stervend in de verre tropennacht. Laat die bleke pacifistenkliek maar praten, meneer de president slaap zacht’, Boudewijn de Groot.
Ik voelde me een slappe zak. Ik had als provosympathisant geprotesteerd tegen de Vietnamoorlog, maar nooit verder gedacht dan aan het symbool oorlog. Ik heb alleen de sfeer willen proeven van de verboden demonstraties, de adrenalinestoot willen voelen als de politie op ons afkwam. Een belevenis, meer was het niet. Nooit heb ik nagedacht over de achtergronden van dit protest. Natuurlijk zag ik het nieuws op TV en in de krant. Ik zag dat er met napalm werd gesmeten en las de verschrikkelijke gevolgen daarvan. Het waren plaatjes, gewoon plaatjes, zonder dat ik echt geraakt werd. ‘And it’s 1,2,3 what are we fightin’ for? Don’t ask me I don’t give a damn; the next stop is Vietnam… ‘[5] Country Joe and the Fish.
Ik schopte tegen de bureaucratie. Ik protesteerde tegen de oorlog, maar het was een lege huls, een ‘luxe’ gebaar naar de bedelaar. Het ging om het gevoel van opwinding, alleen daarom. Die lange blonde jongen met de wonderlijke bijnaam Petite Jule had mijn ogen geopend. Ik was een egoïst, die vanuit een keurig gespreid bedje naar de wereld riep, dat het rechtvaardiger moest. Ik schaamde mij.
[1] Het ‘lijfblad ”van de PROVO 1965- 1967
[2] Luud Schimmelpenninck, min of meer de oprichter van de Provobeweging
[3] De Cirkel, een aanverwant “literaire” tak van Provo in Rotterdam.
[4] Oud café in het gedeelte van het centrum, dat niet is geraakt door het bombardement van 1940
[5] I Feel Like I’m Fixin’ to Die Rag
Niko van der Sluijs


