Ik ben een fan van het BBC-programma ‘QI (Quite Interesting)’. Het is een soort quiz waarbij het niet gaat om winnen of om kale kennis, maar om interessante vragen en geestige, spitsvondige, scherpe, humoristische reacties daarop. Je moet wel een beetje anglofiel zijn om het echt te waarderen. Een belangrijk aspect van het programma is ook de fascinatie van veel Engelsen met − hoe zeg ik dat netjes − de eindfase van het spijsverteringsproces en de beginfase van het voortplantingsproces. Het paste dus goed in dit programma dat de kwestie ter sprake kwam dat ongeveer de helft van de mensen hun billen zittend afveegt en dat de andere helft dat staande doet. Dat feit werd nog eens bevestigd door hand opsteken van het publiek.
Op zich een interessant weetje misschien, maar het meest verbazingwekkend was wel dat men van elkaar geen idee had dat de andere groep bestond. De zitters hadden geen idee dat er ook mensen zijn die het staande doen en andersom. Merkwaardig, ik ken geen ander fenomeen waarbij mensen zo onwetend van elkaars gedragingen zijn.
Gebruiken, gewoonten, gedragingen zijn vaak cultuurgebonden. Wij eten met lepel, mes en vork, in het Verre Oosten doen ze dat met stokjes en in India en Afrika meestal met de hand. De rechter, omdat men de linker (zittend of staand) voor iets anders gebruikt.
Groeten doet men in verschillende landen op verschillende manieren: hand geven, zoenen (twee of drie keer), buigen, omhelzen, zwaaien, een boks geven. Allemaal afhankelijk van cultuur, situatie en sociale status.
Met gebaren moet je erg oppassen, wat in het ene land positief is kan in een ander land een forse belediging zijn. Vuist met duim omhoog betekent bij ons “prima”. In Australië is het een grove belediging. Een rondje maken met duim en wijsvinger is bij ons weer “prima” maar in Frankrijk is het “waardeloos” (nul immers) en in Zuid-Europa en Zuid-Amerika maak je met dit gebaar iemand uit voor homo. De associatie laat ik maar aan jezelf over.
Cultuur is dus niet alleen iets wat mensen verbindt, maar ook iets wat mensen onderscheidt. Het is vaak gebaseerd op toevalligheden. Religies, of liever op religie gebaseerde houdingen, gewoonten en gedrag, zijn hierbij een belangrijk onderdeel.
Een goed voorbeeld is hoe men in verschillende landen omgaat met dieren. Er bestaat een breed spectrum van waarderingen tegenover dieren: in het ene uiterste ziet men de mens als heer en meester over de natuur en de dieren. Dieren ziet men slechts als nuttig of schadelijk voor de mens. Ze worden zonder gevoel van schaamte of schuld ondergeschikt gemaakt aan de menselijke behoeften en noden. In het andere uiterste ziet men mensen en dieren als volledig gelijkwaardige wezens. Dierenrechten zijn in alle relevante opzichten gelijkwaardig aan mensenrechten.
In de meeste culturen zullen de meeste mensen een houding hebben die ergens tussen deze extremen in ligt. En hoewel dierenbescherming een typisch Europees fenomeen is, is er toch weinig aanleiding om ons in dit opzicht superieur te voelen tegenover andere culturen. Denk maar eens aan zaken als stierenvechten, hanengevechten, hondengevechten, drijfjachten, palingtrekken, foie gras, kistkalveren, legbatterijen, de hele commerciële vleesindustrie, etc.
Maar een houding als die van Boeddhistische monniken die meteen het tuinieren staken als ze per ongeluk een regenworm doormidden klieven of weigeren een steekmug dood te slaan is wat mij betreft ook weer overdreven.
De houding tegenover en het omgaan met een handicap en gehandicapten is zo mogelijk nog meer uiteenlopend, niet alleen bij verschillende culturen, maar ook binnen een bepaalde cultuur. Het is heel verschillend wat men ziet als een (ernstige) handicap. Bijvoorbeeld geldt het in bepaalde Afrikaanse landen als een handicap als een kind zijn bovenste tanden eerst krijgt of sproeten heeft. Op een bepaald Amerikaans eiland waren vroeger zoveel doven dat iedereen gebarentaal kende. Doofheid was daar destijds veel minder een handicap als elders. Blindheid wordt binnen bepaalde culturen gezien als een gave. Men zou dan beter het “onzichtbare” kunnen zien. Het is geen handicap, maar een roeping. Het zijn van een Albino geldt overal wel als een handicap: je moet uit de zon blijven en het helpt ook niet bij het vinden van een partner. Maar in veel Afrikaanse landen moet je met deze handicap vrezen voor je leven, je gemalen botten worden gezien als een effectief medicijn.
In mijn studententijd kende ik een Afrikaanse student. Goed geïntegreerd en prima geacclimatiseerd in ons woelige studentenleven. Op een ochtend kwam hij in paniek ons studentenhuis binnen. Hij had de vorige avond een meisje ontmoet en de nacht bij haar doorgebracht. ’s Ochtends ontdekte hij dat ze aan elke voet maar vier tenen had, haar kleine teentjes ontbraken. Met paniek in zijn ogen vertelde hij: “she had no little fingers on her feet!! I just jumped out of bed and ran!!”
Hij beschouwde vanuit zijn culturele achtergrond en mogelijk vanwege de associatie met lepra deze kleine imperfectie als iets weerzinwekkends. Mij leek het alleen maar praktisch bij het dragen van pumps.
Iets wat je niet ziet valt je meestal niet op, dus ik denk niet dat het je ooit is opgevallen dat je in veel buitenlanden maar heel weinig mensen met een handicap in de publieke ruimte ziet. Niet omdat ze er niet zijn, maar ze zitten binnen. Thuis of in een inrichting. Men schaamt of geneert zich om een gehandicapt familielid naar buiten te brengen. Of de mogelijkheden daarvoor, de voorzieningen ontbreken. De manier waarop met gehandicapten wordt omgegaan in een land lijkt me een goede indicatie voor het beschavingsniveau ervan.
In Nederland schommelt de houding tegenover mensen met een beperking tussen medelijden en medeleven aan de ene kant en waardering en bewondering aan de andere. Geen van deze twee attitudes zijn erg waardevol voor gehandicapten zelf. Zij vinden acceptatie voldoende. En adequate medische, sociale en praktische voorzieningen.
Zodat ze zelf kunnen beslissen of ze zittend of staand willen vegen.
