Hier volgt het elfde hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricade, Parijs 1968’ van Niko van der Sluijs.
Nieuwsgierig hoe het verder gaat? Over 14 dagen vind je hoofdstuk 12 op deze site.
Leeg en ongelukkig keerde ik terug naar Parijs. Ik was weer alleen, iedereen was weg. In al mijn zelfmedelijden kwam een plotselinge verandering. Weer bleek alles anders… Aan de oever van de Seine ontmoette ik een clochard, waarmee ik (ik denk nog steeds) het meest indrukwekkende en het meest intense gesprek had van mijn leven..
11. Interbellum
‘Sammy’
De chaos op onze verdieping in rue Racine was tekenend voor de puinhoop, die mijn leven in een korte tijd was geworden. Alles waar ik meer aan gehecht was geworden dan ik zelf wilde geloven, lag achter me. De meeste pijn had ik van de keuze die Joyce, volgens mijn sombere inschatting, had gemaakt. Er was ook geen Noëlle meer, geen Betty, geen Anja, weg, alles kwijt, ‘A World without love’, Peter and Gordon.
Mijn huisgenoten kwamen over een dag of drie terug, voordat de colleges weer van start gingen. De enorme partij post was door onze hospita op tafel gelegd tussen de lege borden met etensresten van voor de Kerst. Als een zombie begon ik de rommel op te ruimen, af te wassen en te sorteren. Het huis moest schoon, anders werd het veelvuldige dreigement van onze hospita bewaarheid:
‘Ik waarschuw jullie nog één keer, de volgende keer zeg ik de huur op.’
Die Vlaamse zwijnen hadden hun bed rechtgetrokken en verder nergens naar omgekeken. De anderen hadden tegen de verwachting in hun spullen aardig opgeruimd. Ik begon mij juist op wraak te bezinnen, toen mijn oog op een kleine vierkante envelop viel, die in al haar bescheidenheid dominant afstak tussen andere, voornamelijk formele enveloppen. Alleen mijn naam, geen adres, geen postzegel. Ik wist, voelde dat hij van Joyce was, hoewel ik haar handschrift niet kende. Met trillende handen ritste ik de envelop open en hield het blauwe postpapier zenuwachtig onder mijn ogen.
‘Lieve Pieter
Heb je het leuk gehad in Rotterdam? Ik in ieder geval niet. Ik kon alleen maar aan jou denken. Toch kon ik niet zeggen wat ik zeggen wou. Ik voelde me rot, gedroeg me behoorlijk snibbig, maar over ons praten lukte gewoon niet. John pikte alles van mij. Ook mijn stomme gedrag. Hij gedroeg zich onuitstaanbaar verdrietig, dat maakte alles nog moeilijker. Soms kreeg ik de indruk van hem dat hij iets vermoedde. Ik ben bang, dat jij er nu anders over denkt. Ik zag namelijk die dikke Julius uit jullie band, toen ik samen met John in de stad was. Hij zal wel gekletst hebben, maar Pieter het is echt niet wat je denkt. Ik wil alleen jou. Ik weet het zeker. Het lukte gewoon niet, sorry. Kom alsjeblieft naar me toe als je terug bent, ik wil het uitleggen. Ik moet je zien.
Liefs, Joyce’
Ik las, herlas en pas bij de derde keer drong de inhoud tot mij door. Joyce had een keus gemaakt, voor mij. Ik wilde juichen, maar ik kon het niet. Ik wilde huilen, maar ik kon het niet. Ik wilde lachen, maar ik kon het niet. Ik bleef wezenloos naar het blauwe briefpapier staren. Ze verlangde naar mij, maar hoe kon ze dan…? Hoe kon ze John omarmen, kussen, met hem vrijen, hand in hand lopen? Dan moet je toch iets voor iemand voelen? Ze wilde alles, mij en John. Nu zeggen, dat ze mij wil. Moet ik het geloven? Ik laat me niet gebruiken!
In de verwarring, die zich door mijn geest wervelde, hoorde ik mijzelf praten. Het antwoord kwam uit het niets…’Wat sta jij dom te lullen, kijk naar jezelf, jij hebt ook niet met mes en vork…’ De stem van Jos drong mijn hersenpan binnen. Hoe kon ik nu zo doen, waarom voelde ik mij zo? Ik moest blij zijn en ik was blij. Ik was smoorverliefd op die meid, maar ik was ook zo onmogelijk jaloers. Ik wilde niet delen. Deelde ik wel? Mijn gedrag was toch beneden alle peil? Dat van Joyce ook ten opzichte van John. ‘Beneden alle peil’, Boudewijn de Groot. Ik begon te lachen, mijn lichaam voelde alsof ik met twee vingers in een stopcontact had gezeten, één grote golf van prikkelingen. ‘Joyce, je bent een gek wijf, weet je. Die dikke Julius, hij moest eens weten.’
Ik liet alles uit mijn handen vallen, dan maar een boze hospita. Ik rende naar beneden, sloeg treden over, rukte de deur open en sprintte over de keien naar metrostation Odéon. Met een vreemd opgewonden gevoel dook ik ondergronds Parijs in. Ik reed nu naar Porte Dauphine, dat dichter bij het huis op de Boulevard Flandrin lag, dan metrostation Victor Hugo, dat Joyce en ik steeds namen. De boulevard lag er koud bij in tegenstelling tot mijn straat, waar ik niet het idee had, dat we in de winter leefden. Ik belde aan.
‘I’m gonna knock on your door,’ The Isley Brothers; volgens mij al een nummer uit 1961 van een zekere Eddie Hodges Een lekker nummer, maar nu even niet.
Ik wachtte, geen reactie.
Ik probeerde het opnieuw, hield mijn hand langer op de bel.
Ik wachtte, voelde me ongeduldig worden. Niemand thuis, hoe kon dat, zij wilde toch dat ik kwam, zij wilde met mij praten…
Ik begon te twijfelen, was dat briefje wel van haar, was het een grap? Maar van wie dan? Niemand wist iets van onze situatie af, behalve Jos en hij was in Nederland. Mijn hoofd was vol gedachtenspinsels, waarin niet te ontwarren woorden gevormd werden, die zinnen tot onzin verbogen. De spanning om haar te zien veranderde in een nerveus, verloren gevoel. Ik bedacht mij, dat zij misschien werkte. Dat kon niet, omdat Joyce mij voor de Kerst vertelde, dat ze pas eind januari weer aan de slag zou gaan.
Ik wilde nu slechts de somberheid van het Bois de Boulonge in dit seizoen opzoeken, maar koos toch voor de metro richting Place Clichy. Dit keer geen gezang van twee mensen, die verliefd waren, maar een rillende eenzame ik.
‘Nee, Joyce komt pas eind van de maand weer.’
Het antwoord dat ik allang wist, ‘No milk today’, Herman’s Hermits. De dienstdoende baliemedewerkster keek mij verbaasd aan. Je kon haar gedachten lezen: het is jouw vriendin, waarom weet jij dat niet sukkel, zeker ruzie?
Ik vertrok met mijn handen diep in mijn zakken, daalde bij Liège de metrotrappen af en stapte in zonder de richting te bekijken en zakte, apathisch voor mij uitstarend, op een bankje. Waar veel mensen uitstapten, liet ik mij automatisch in de massa meevoeren en stapte in dezelfde gemoedstoestand over in een volgende trein, totdat ik bij Porte De Clignancourt ontdekte erg uit de richting te zijn geraakt. Ik stapte weer in om dan onder de grond, dan boven de grond vervoerd te worden, het kon mij niet schelen waarnaartoe. Ik belandde op Franklin D. Roosevelt, stapte uit en besloot de buitenlucht op te zoeken. Langzaam ordende mijn op hol geslagen gedachten zich. Iedereen kan weg zijn, je hoeft toch niet altijd thuis te zijn of naar je werk? Laat die domme jaloersheid toch eens varen en denk niet meteen dat er een ander is, of in het ergste geval dat John in Parijs is. Pieter, je bent een zielige prutser, word eens wakker!
Over de Pont des Invalides wandelde ik naar de Quai Dorsay en bleef langs het water lopen in de richting van het Quartier. Terug naar de rommel in ons meurende studentenkot.
Zonder erbij na te denken ging ik op een bankje aan de kade zitten en probeerde mijn gedachten op een rijtje en mijn lijf tot rust te krijgen.
Met mijn handen onder mijn kin staarde ik nietsziend naar het grijze steengruis onder mijn voeten. Zelfs uit mijn diepste binnen kwam geen enkele impuls welke invalshoek mijn gedachten moesten volgen. Ik dacht aan niets, dat kon dus. Helemaal leeg zijn, niet kunnen denken. Ik wilde ook het liefst aan niets denken. Een groepje toeristen wandelde voor mij langs. Tenminste, ik scande de groep als toeristen, bewust zien deed ik het niet. Fototoestellen werden in stelling gebracht. Aan het aantal klikken en op het bankje gerichte blikken af te leiden, was mijn zitplaats kennelijk een bezienswaardigheid. Of was ik het, die een dermate wanhopige somberheid uitstraalde, die aantrekkelijk en fotogeniek genoeg was voor de gemiddelde bezoeker aan Parijs. De toeristen, die alles associeerden met Le Grand Théâtre, de stad van de schrijvers, schilders, dansers en acteurs. De stad van het voyeurisme en het exhibitionisme, van de meest gewaagde shows en van de romantiek. Dit laatste was bij mij ver te zoeken. Zover, dat het misschien opvallend was en het fotograferen waard. Mijn nieuwsgierigheid overwon voor een moment mijn depressieve gevoel. Er moest iets zijn dat in zwart wit of in kleur mooier was dan in het wild. Ik keek opzij en zag tot mijn stomme verbazing een clochard naast mij zitten. Gelaten lachend liet de man zich fotograferen, waarbij een stuk stokbrood en een halflege wijnfles als een statussymbool aan het publiek werd getoond. Na de sessie hield de man vriendelijk doch dwingend een wat groezelige, geopende hand gestrekt voor zich. Het gros van de fotografen drukte er met uitgestoken armen wat francs in. Er was een zekere distantie tussen de bedelaar en de barmhartige Samaritanen. Misschien wel ingegeven door de vooral bij toeristen heersende angst bestolen te worden, of om de penetrante urineluchten te vermijden, die veel clochards met zich meevoerden.
De man glimlachte in mijn richting zijn ongepoetste tanden bloot. Ik keek verbaasd, omdat ik de goede man niet had opgemerkt en zelfs niet had geroken toen ik was gaan zitten, of toen hij was gaan zitten. Die volgorde was mij ontgaan.
‘Jij zit ergens mee’, zei de man.
‘Hoezo?’
‘Ik zit al een tijd naast je. Je merkt niets, lijkt niets te zien. Ik dacht even, dat je plannen zat te smeden om in de Seine te springen. Dus dacht ik, die houd ik in de gaten.’
‘Vriendelijk van u, maar zo erg is het niet.’
‘Dus er is wat aan de hand, amice?’
‘Amice?’
‘Je lijkt mij een student. Je herkent ze uit duizenden, ruikt ze op een afstand, net zoals je mij ruikt, maar dat is van een andere orde, hahaha.’
De man had veel lol over zijn uitspraak, die droop van de zelfspot. Hij leunde lachend voorover, waardoor ik meer zicht kreeg op zijn bebaarde uiterlijk. Hoewel zijn ogen vol tranen stonden van het lachen, zag ik een paar helder donkere ogen omringd met vriendelijke rimpels. Hij stonk, maar de lucht was niet afstotelijk. Zijn kleren waren redelijk van kwaliteit en zijn handen zaten in vuil geworden halve handwarmers, waaruit vingers staken, die uitmondden in nagels met forse rouwranden.
‘Niets zeggen, je vriendin heeft een nieuwe minnaar?’
‘Bijna waar.’
Zonder erbij na te denken, dat ik met een vreemde zat te praten, gaf ik antwoord. De clochard zuchtte diep, schoof dichter naar mij toe, waarbij de walm, die door de verplaatsing vrij kwam, erg meeviel. Zeker geen opgedroogde urinelucht. Eerder een combinatie van een alcohollucht doordrenkt met tabaksgeuren, alsof de man uren in een rokerig café had gezeten.
‘Luister jonge amice, dat is het verhaal van het leven. Liefde en anti-liefde, of moet ik dat misschien haat noemen?’
Weer verbaasde ik mij over de man. Zijn keurige uitspraak was niet te combineren met zijn bestaan. Op de een of andere manier kreeg ik het gevoel, dat hij hier niet voor niets zat, dat ik hem wel tegen moest komen. Wie in deze miljoenenstad had interesse in een eenzame student, die het gevoel had voor de tweede keer in de steek te zijn gelaten door de liefde van zijn leven?
‘Ik haat niemand.’
‘Wanneer ga je dat doen? Door je onder te dompelen in jouw pijn of in het onrecht wat je is aangedaan. Het spelen van Lord Wanhoop helpt je alleen maar verder de put in en op de bodem vind je negen van de tien keer je eigen aangedikte verdriet en tenslotte een intense haat.’
In enkele minuten had ik hem het hele verhaal over Joyce verteld en nog veel meer. Of liever gezegd, had hij mij het verhaal ontfutseld door indringende vragen te stellen, anticiperend op mijn woordkeus. Ik eindigde mijn verhaal met waarom ik boos en achterdochtig werd, toen Joyce niet thuis gaf.
‘Als teleurstelling omgezet wordt in boosheid moet je uitkijken voor onverantwoorde handelingen. Daarmee kan je alles kapotmaken en bij jou is, zoals ik het zie, nog niets kapot, bedenk dat amice. Laat ik je een slok wijn aanbieden, dan ga je weer helder denken.’
De man, die mij hardnekkig amice bleef noemen, deed een greep in een boodschappentas naast hem en trok er een fles rode wijn uit, die hij onverstoorbaar, met de kurkentrekker uit een groot zakmes, van lood en kurk ontdeed.
‘Waarom maakt u een nieuwe fles open?’, vroeg ik wijzend op de halfvolle fles, die hij zo even aan die toeristen had getoond.
‘Jonge amice, wij drinken een goed glas wijn, zonder glas dan. Dat bocht is mijn reclamemateriaal, net als het stokbrood.’
Om dat laatste te demonstreren sloeg hij met het brood een paar keer tegen de groene, gietijzeren stijlen van de bank, waardoor er een forse geluidsgolf te horen was, zonder dat er scheurtjes te zien waren in de broodkorst.
‘Goed materiaal, amice, dat gaat lang mee.’
Lachend namen wij broederlijk een paar teugen uit de fles. De zware wijn prikkelde mijn smaakpapillen en in een vrij hoog tempo mijn geestelijke gesteldheid. Ik voelde mij na een paar slokken al redelijk ontspannen.
‘Geloof mij jonge amice, deze nectar is de bloedsomloop van mijn bestaan, hemels, zonder kerk.’
Gesterkt door de drank vroeg ik hem, waar hij zo’n goede wijn vandaan toverde en waarom hij in hemelsnaam moest zwerven.
‘Luister, jonge amice. Dat zijn twee vragen. Eerst de wijn; ik ben een kenner, dus weiger ik slechte wijn te drinken. Dan jouw tweede vraag. Clochard zijn is geen zwerven, het is een lotsbeschikking. Niet zo heel lang geleden was ik zoals jij, jong, verliefd met een mooie toekomst in het vooruitzicht. Nu is dat anders, het leven is de som van alles wat je doet, min en plus, plus en min. ‘L’existence précède l’essence.’ Ken je dit?’
Ik voelde mij plotseling heel dom, omdat ik hem het antwoord schuldig moest blijven.
‘Ken je iets van Sartre?’
‘Van Jean-Paul Sartre? Ja natuurlijk. ‘Les jeux sont faits’ heb ik voor mijn Franse literatuurlijst moeten lezen.’
‘Mijn vriend Jean-Paul is de existentialist ‘pur sang’, wist je dat niet?’
‘Ja, daar spraken de docenten op mijn middelbare school ook over. Misschien heb ik het nooit begrepen.’
‘Jonge amice, het existentialisme bepaalt jouw leven, net zoals dat van mij. We worden geboren, bestaan dus, maar wat of wie we zijn zonder onze daden, is een ander verhaal. De daden waarvoor we zelf verantwoordelijk zijn. Je bent wat je doet.’
‘Wat deed u dan, als u dit nu bent?’
Ik probeerde, ondanks de wijn in mij, de achtergrond van de filosofie te bevatten en dacht daarom door te moeten vragen.
‘Te veel minnen, amice, te veel minnen.’
Snel schoof de man naar links en greep de fles halfvolle rommelwijn en het stuk stokbrood. Een nieuwe groep toeristen onder leiding van een gids zakte de brug af. De gids wees op de man naast mij en op een onzichtbaar en onhoorbaar commando werden de lenzen ingesteld en doorbrak het mechanisch geklik het continuüm van wind en Seinewater.
Als slot van de sessie kwam de hand naar voren, die in mijn ogen bedolven werd onder francs en deeltjes daarvan.
De clochard keek mij triomfantelijk aan. Het was zijn truc, zijn reclamemateriaal. De waarheid achter ons gesprek kwam naar voren: Je bent wat je doet.
Een paar regendruppels kleefden koud en brutaal aan onze gezichten. Ik begon mij onmiddellijk vervelend te voelen en keek om mij heen naar mogelijkheden om te schuilen. Het scheen de clochard niet te deren. Hij ontving de druppels als een zegen door zijn armen hemelwaarts te strekken en de spetters vervolgens over zijn gezicht uit te wrijven.
‘Eindelijk mijn douche, heerlijk.’
Hij begon te roepen tegen een andere, toevallig passerende, clochard. Een man in lompen, die scheldend en vloekend richting Gare des Invalides liep, waarschijnlijk om te schuilen tegen de regen.
‘Hé Samuel, doe niet zo knorrig, geniet ervan. Het is maar water, jammer genoeg geen wijn, maar we doen het er mee, kop op Samuel.’
Het was een graad of vijf en voor mij veranderde de lichte regen in een warme douche. Misschien door de wijn, maar ook door het positivisme van mijn buurman.
Dan die Samuel, die daar ontevreden en gebogen richting schuilplaats hinkte. Dat moet Ramses Shaffy bedoeld hebben met ‘Sammy’. Dat moet hij hier hebben gezien en niet in Amsterdam. Ramses is in de buurt van Parijs geboren. Ergens zat een fout in mijn gedachten. ‘Hoog Sammy, kijk omhoog Sammy, want daar is de blauwe lucht’. Hier was de lucht grijs, grauw, kil en nodigde niet bepaald uit om naar boven te kijken.
Mijn buurman had weer alle aandacht voor mij en begon een kruisverhoor.
‘Ik hoor aan je accent, dat je geen Fransman bent en zeker geen Parijzenaar, maar dat laatste is een compliment. Waar kom je vandaan?’
‘Nederland.’
‘Nederlander en jij weet niets van het existentialisme? Jean-Paul vertaalt het, maar jouw land bepaalt het. Wat zou ik daar graag geboren zijn. Jouw land, jonge amice, is de aanjager van de revolutie waarop we zitten te wachten. Het existentialisme is bij jullie een gemeengoed, daar gebeurt het. Vanuit jullie doen verandert de wereld. Hoe heette die beweging bij jullie?’
‘Provo?’
‘Ja, jonge mensen, witte kleren, witte fietsen, wie verzint het. Geweldig, een groep die protesteert tegen de bureaucratie, het conservatisme en het post-oorlog syndroom, dat regenten toelaat, die de massa mak willen houden. En niet te vergeten het gevaar van de massaconsumptie, dat ons allemaal kapot zal maken, omdat niets meer op lijkt te kunnen, maar wel op zal raken. Eens zal de aarde uitgeput zijn, zal het mensdom uitdijen tot een amorfe massa zonder enig perspectief en zal men elkaar uitmoorden: weg planeet aarde.
Gelukkig is bij jullie het protest begonnen. Het wordt tijd, dat hier ook wat gebeurt. Achter het IJzeren Gordijn is helemaal geen vrijheid, maar hier in het zogenaamde Vrije Westen moet ik het ook nog vinden. Vergeet niet dat we hier in Frankrijk met een dictator te maken hebben en dat ook Spanje nog steeds met generaal Franco, die kameraad van de Duitsers, opgezadeld zit. Goed, de monarchie is in Spanje hersteld, maar wat is het waard? Het is één hypocriete wereld. Kijk naar Amerika, waar de slavernij is afgeschaft, maar de ongelijkheid tussen zwart en wit niet. Het land van onbeperkte mogelijkheden, maar ook van onbeperkte onmogelijkheden. De zwarte jongens mogen zich wel doodvechten in Vietnam. Vechten voor een onhaalbare zaak, die wij Fransen daar hebben laten liggen. Niet te geloven. ‘
‘Zij hebben Martin Luther King, dat moet toch goed komen!’
‘Ja, zij hebben dominee King, te vredelievend. Kijk eens naar Kennedy; populariteit is geen garantie. Dat je ten dode opgeschreven bent, als je boven het maaiveld uitkomt, staat als een paal boven water. Dat is je garantie. King gaat het niet redden. Wat zei jij ook alweer amice, wat had je gelezen van mijn vriend Sartre?’
‘De teerling is geworpen.’
‘Precies, dan weet je dat met de dood de existentie weg is, maar je handelen krijgt een na-ijl effect, dat de zaken nog recht kan trekken. Dat is wat gebeurt, veel pogingen worden gestaakt, soms gedwongen, maar alles heeft een vertraging in zich. Zeker ons bevattingsvermogen. Ons brein denkt, doet en wacht af tot iets duidelijk wordt. Het gaat niet goed komen in Amerika. Niet met die nutteloze, wrede oorlog in Vietnam, niet met de rechten voor de zwarten. Het wachten is op het na-ijlen van alles, de grote vertraging. Jullie hebben met die Provo een aanzet gedaan. En kijk, de jeugd in Duitsland staat op en waar straks nog meer? We moeten iets doen, jullie moeten iets doen, anders leven we alleen bij de gratie van de rijke, almachtige onderdrukker, die het alleenrecht op deze planeet denkt te hebben.’
Het was opgehouden met regenen. Ik wilde mijn buurman een vraag stellen, maar keek tegen een alweer breed grijnzend gelaat aan. Zijn arm werd routinematig gestrekt naar de passanten en torste een halfvolle fles slechte wijn. Op zijn knie lag het stuk stokbrood, waarmee iemand met één klap knock-out geslagen kon worden. De hand ging open en de muntjes daalden neer.
‘Op welke universiteit zit jij?’
‘De Sorbonne.’
‘Daar heb ik vijftien jaar voor gewerkt, amice. Vijftien lange jaren in de meest autocratische omgeving, die een mens zich kan bedenken.’
‘Jezus man, wat deed je daar dan en…’
‘Ja, jonge amice,’ onderbrak de man mij, ‘ik begrijp je verbazing, heb met mij geen meelij, ik ben bevrijd.’
‘Hoezo, door nat en koud te worden en niet te weten waar te eten?’
‘Stop, je begrijpt het niet. Wat is erger dan lijden onder autocratie, onder dictators, die bepaalden wat jij mocht vertellen. Dat heette dan doceren, hahaha. Nee amice, ik was dom, jong en overmoedig. Ik dacht de wereld te verbeteren, te beginnen bij mijzelf en mijn studenten.’
‘Begrepen zij je niet? Welk vak gaf je?’
Ik was zonder erg aan het tutoyeren geslagen. De man reageerde niet, maar vertelde verder.
‘Jonge amice, ik doceerde psychologie en probeerde de studenten ook de aanverwante terreinen van de sociologie bij te brengen, een vak dat op de Sorbonne niet werd toegelaten. De studenten hingen aan mijn lippen en bleven vaak napraten als het college achter de rug was. Discussies gingen door tijdens de lunch en in de late avonduren, waar mensen als Jean Paul, Simone en Marcuse, als hij tenminste in Parijs was, zich vaak bij aansloten.’
‘Simone, bedoel je Simone de Beauvoir?’
‘Ja, wie anders amice. Ken je haar boeken?’
‘Van haar stond ‘Les Mandarins’ op mijn boekenlijst. Maar wat is er gebeurd, omdat jij…’
‘Van alles, jonge amice, van alles. In de ogen van mijn autoritaire collega’s was ik slap, had ik geen overwicht en sloot ik mij daarom aan bij een kansloze groep revolutionairen. Voor de studenten was ik hun voorbeeld, was ik het boegbeeld van verandering. Ik had net als Jean Paul gesproken met Che Guevara, de ideeën van de Revolutie en het Marxisme gedeeld. Het liefst wilde de Raad van Curatoren mij voordragen voor ontslag, maar vanwege mijn banden met Sartre durfde men niet goed. En ik was zo naïef om te denken, dat ik onaantastbaar was. Dat ik de wereld kon veranderen, samen met mijn literaire vrienden en mijn studenten.’
Ik staarde, in ongeloof over het verhaal van de man die Che Guevara had gesproken, naar de gebogen ramen van het station aan de overkant.
‘Sammy’ kwam daar vloekend en tierend vandaan lopen. Mijn buurman ging, zonder ‘Sammy’ opnieuw aan te spreken, verder.
‘Ik begreep toen niet, dat je alleen maar kon overleven door stil te blijven zitten, je neer te leggen bij de wil van de ‘bourgeoisie’ en van de aristocraten met hun ouderwetse moralistische inslag. Ik ging ondanks de tegenstand door en kreeg intussen een verhouding met een studente, één van mijn trouwste volgers. Ik droomde ervan met haar eenzelfde pact te kunnen sluiten, als Jean-Paul met Simone. Liefde in vrijheid, maar dat was niet weggelegd voor deze simpele professor René’.
De man naast mij, professor René, was een held, die zichzelf tot antiheld degradeerde. Snel bewoog hij naar de andere kant van de bank om zijn reclamemateriaal weer bij elkaar te grissen. Een paar tellen later klikten de camera’s volop. Thuis zouden veel van die mensen pas ontdekken, dat er nog iemand op het bankje zat. Een onbetekenend studentje uit Nederland, maar die kon je er gemakkelijk afknippen. De sessie eindigde met de muntjes in de hand, waarna René mij weer stralend aankeek.
‘Professor, wat gebeurde er precies?’
‘Haar familie verzette zich tegen onze relatie. De rector beschuldigde mij van intimidatie van studenten en van een voor de universiteit ongewenste immorele verbintenis met een niet weerbare student. Daarna ging het snel. Wij weigerden onze relatie te verbreken en ik werd met instemming van mijn collega’s op straat gezet, zonder enige vergoeding. Mijn vriendin werd door haar ouders uit Parijs gehaald en min of meer verbannen naar Toulouse. Ik nam een advocaat in de hand, wilde mij hier niet bij neerleggen. We werden aan alle kanten tegengewerkt, waardoor de tijd een gevaarlijke vijand bleek. Ik kon de druk niet meer aan, ging drinken, raakte door mijn geld, kreeg schulden, verloor mijn advocaat en de rest weet ik niet meer… ‘
‘En je vrienden dan?’
‘Die wilden mij helpen, maar begrijp amice, troebele geesten, zoals ik, gefocust op te veel zelfmedelijden, laten zich niet meer helpen. Ik verdronk in een permanent gebied met depressies, zwarte randen, donder en bliksem. Je bent niet meer aanspreekbaar. Je leeft in een cocon en experimenteert met je eigen pijn. Ik wilde dood, maar wist niet hoe en wanneer. Ik wilde wraak nemen, maar wist niet op wie en op jezelf wraak nemen is dan het enige alternatief.’
‘Hoe ben je daar uitgekomen?’
De professor keek mij meewarig aan en begon te lachen.
‘Noem je dit er uitkomen?’, zei hij, terwijl hij zijn wijsvinger naar zijn borst bracht en mij dwong de omgeving, zijn omgeving, nog eens goed te observeren.
‘Nee, jonge amice, ik ben bang, dat ik er nooit meer uitkom. Ik heb er mee leren leven en hoe gek het ook klinkt, ik heb er vrede mee. En dat maakt mij op zich weer vrolijk.’
Ik wist even niets te zeggen. Hoe kon zoiets gebeuren?
‘Je begrijpt het niet, hè? Het bestaan als clochard is een vlucht, jonge amice, een vlucht vooruit, recht in de ontkenning van het bestaan. Een vlucht in de anonimiteit, zoals het ontbreken van een adres in de burgerlijke stand.’
De laatste woorden werden in een plotselinge draai naar achteren uitgesproken. De wijn en het brood werden weer ter hand genomen en het ritueel was identiek aan dat van de vorige keren, afgesloten met het innen van het geld en de grijns op het gezicht van de professor.
Direct daarna reikte hij mij de fles met de betere wijn aan, met daarbij de aanbeveling een flinke slok te nemen, het werd kouder.
‘Amice, ik zal de dingen nemen zoals ze komen. De drank zal mijn hersenen versponzen en mij verder in de vergetelheid drukken. Ik heb er vrede mee. Ik wil niet meer vechten. Jij moet het doen, jonge mensen moeten zich verzetten tegen deze autoritaire wereld, tegen de verkeerde technocraten. Verzet van het volk is sterker dan een militaire coupe, onthoud dat. Amice, ga terug naar jouw dame, die wacht op je. Ik weet het zeker, neem haar in je armen en geniet van het moment. Wees lief voor haar, vergeet en vergeet niet. Wat vertelde je mij, wat zei je vriend ook alweer? Jij hebt vast niet alleen met mes en vork gegeten…Wat een schitterende symboliek.’
Lachend stond de professor op, gaf mij een onverwacht stevige hand en waggelde rustig weg met een jaszak vol munten. De tas met wijn en brood slingerde langs zijn magere lijf.

