Site icoon VOM HU

‘Een liefde op de barricade, Parijs 1968’ – hoofdstuk 3

Hier alweer het derde hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricades, Parijs 1968’ van Niko van der Sluijs.
Nieuwsgierig hoe het verder gaat? Over 14 dagen vind je hoofdstuk 4 op deze site.

Vrijwel iedereen weet het nog heel goed: de laatste dagen op de middelbare school. Het moment dat de beschermende omgeving wegvalt, het vertrouwde gevoel je lijkt te verlaten. Je wilt het eigenlijk zo lang mogelijk vasthouden. Ineens sta je er alleen voor. Je klasgenoten dwalen alle kanten op. Een enkeling tref je in je vervolgstudie, maar dan verdrink je weer afzonderlijk in het onbekende. Het is een afscheid van een deel van je leven. En dan…

3. ‘HBS Blues 2’
‘(No) Satisfaction

Een volle week schriftelijk, twee dagen mondeling, een kwestie van overleven. Iedere dag nieuw proefwerkpapier met rechtsboven de stempel van de school. Stempels, die ik zo vaak had aangebracht, eerst zorgvuldig daarna steeds slordiger. ’s Morgens om kwart voor acht; de straf bepaalde hoeveel keer je zo vroeg je bed uit moest, stempelen met de adem van de conciërge in je nek. De bijna altijd nors kijkende mijnheer Naerebout, eeuwig gekleed in die beige stofjas, maar een warm hart voor iedere leerling. Dat zag ik nu pas in.

Een paar pennenstreken en zes jaren van je leven waren voorbij. Het leven in en om het grote schoolgebouw, de donkerbruine bakstenen met daarin de hoge ramen, de grote entree met het prachtige trappenhuis doorlopend tot in de torenkamers, onze tekenlokalen. Een product van architect Ad van der Steur in een gemêleerde stijl van Dudok. De Amsterdamse School in Rotterdam, gekker kon niet. De aankomst als ‘stinkbig’ met de volle leren schooltas achter op de fiets, de puberjaren, de vlegeljaren, de natuurlijke strijd tussen scholier en leraar. De jaren van afschuw en waardering, de jaren met ‘Soepoog’ voor Wiskunde, ‘Une’ (belle pomme) voor Frans, de knotsgekke maar waanzinnig populaire Betsie van der Berg voor Recht en Economie, ‘Dusje’ voor muziek, ‘Koperdraadje’ de man met de rode haren voor geschiedenis…

Het ritueel was kort maar krachtig. Onze directeur, de heer Ringelestein, een statige grijze man staarde ons ernstig aan, woog zijn woorden voordat hij sprak. Wat heb ik gezweten, als ik de klas werd uitgestuurd naar de directeur, naar de man met de strenge blik, die hij pas naar je oprichtte, nadat hij voor je gevoel uren irritant rustig door was gegaan met schrijven. Zijn charisma verpulverde al het verzet in je. Je was klaar voor het in ontvangst nemen van de reprimande en de daaraan verbonden straf. Lieve God, wat zou ik ervoor over hebben om dat nog een jaar mee te mogen maken?

‘Dames en heren, nee ik noem jullie geen jongelui meer, van harte gefeliciteerd. Als ik je naam noem kom je naar voren.’

Een handtekening, een handdruk, een kwartje betalen voor het plastic mapje dat om je diploma werd geschoven. Betaalde je niet, dan kreeg je het diploma zonder mapje.

‘Jongelui’. Gegiechel in de zaal, terwijl wij naar onze aanwezige ouders keken. De heer Ringelestein, in de wandelgangen Oom Piet genoemd, lachte breeduit, zijn grapje slaagde ieder jaar opnieuw.

‘Dames en heren, er is een moment waarop wij afscheid van elkaar moeten nemen, het moment waarop de ene helft doorgaat met een nieuwe andere helft en de vertrekkende helft een nieuwe horizon gaat verkennen en…

Ik wens jullie alle goeds voor nu en altijd.

Voordat ik jullie laat gaan, wil ik tenslotte enkele cijferlijsten voorlezen van de mensen, die een beurs krijgen.’

Ieder jaar kwamen de vier beste examenkandidaten in aanmerking voor een beurs, die je in staat stelde om een jaar in het buitenland te studeren, Londen, Parijs, Berlijn en voor de allerbeste: New York.

Alle docenten hadden zich opgesteld achter de directeur. Zij zouden straks klappen en zelfs juichen voor de studiebollen, die in de prijzen vielen.

Ik wist nog niet wat ik uiteindelijk zou gaan doen. Voorlopig had ik mij ingeschreven bij de Economische Hogeschool in Rotterdam-West. September was nog ver weg, ik wilde er niet aan denken.

‘Hans Hameel.’

Applaus en gejoel op het podium en in de zaal. New York, de negens en tienen vlogen ons om de oren. Zijn lage cijfer voor lichamelijke oefening werd uit mededogen niet genoemd.

Hans draaide zich trots om naar zijn ouders achter in de aula. Wat hebben we die saaie drol vaak in de maling genomen, soms misschien iets te hard. Hij leende zich er zo voor en nu moest dit sociaal absoluut niet vaardig wiskundeknobbeltje alleen naar New York? Ik had medelijden met hem. ‘Loekie Hensen’.

Geen verrassing, Loekie lief, een beetje knul heb ik haar altijd gevonden, maar een prettige klasgenoot, veel te intelligent voor ons, nooit een doelwit voor onze pesterijtjes. Zij deed gewoon met ons mee: tien, negen, negen, nog meer negens en een paar achten, Berlijn.

‘Els Smeeds’.

De hoofdredactrice van onze schoolkrant, -’t Stockske- waaraan ik, al sinds het begin van het derde jaar, op de achtergrond meewerkte. Ik moest nu zeggen, had meegewerkt: ook al voltooid verleden tijd. Els, een open, kordate juffrouw, wist precies wat ze wilde. Zij was vol literair vuur en structuur, in mijn ogen de slimste van de school. Ik was jaloers op haar ondernemingslust, op haar zekerheid: negen, negen, een aantal achten en een zeven, Londen.

Er werd volop geapplaudisseerd, onze benen stampten ter ondersteuning op de houten vloer van de aula. De vloer waarop ik mijn eerste dansles kreeg, in de tweede klas, op je sokken: ‘Kwik, kwik, slow, bij Meijer dans je zo’…

In het wegebbende rumoer werd de laatste naam genoemd. Iedereen begon weer enorm te juichen en te stampen. De naam ontging me door mijn herinneringen aan de dansles, de contra fox wanneer Anja zo snel mogelijk naar mij toe spurtte en wij stiekem een beetje tegen elkaar aan probeerden te dansen:

‘Afstand houden, anders kan je niet leiden jongeman’.

‘Ja mijnheer Meijer.’

‘Pieter,’ riep mijnheer Ringelestein mij vrolijk toe, ‘je moet wel hier komen, anders gaat het naar een ander!’

Nu pas drong het tot mij door. Iedereen keek lachend mijn kant op. Er werd gejoeld, er werd geschreeuwd. Ik had Parijs, ik en niet de verwachte Robert Cohen, Joop van Dijk, de dichter, of misschien dat vriendje van Anja, Huub Koren, of Marja van Willigen of zelfs Frans Heyn.

Een negen, veel achten en één zes voor Duits. Had ik ‘der Bauch’ maar niet moeten vertalen als de boeg van het schip? Dom, dom…

Parijs, een jaar Sorbonne. Met een verbaasde uitdrukking op mijn gezicht keek ik naar de docenten. Betsie applaudisseerde met haar handen boven haar hoofd. Het oude mensje riep iets, dat ik niet kon verstaan. Zij deed razend enthousiast, als ze me maar niet zou gaan zoenen. Ik liep naar mijn moeder, wij omhelsden elkaar. Tranen in haar en in mijn ogen.

‘Mam, dat heb ik toch mooi voor elkaar!’

Het kleine vrouwtje keek trots naar mij op. Een soort mijlpaal in haar opvoeding, zij was steeds de vaste grond onder mijn voeten geweest. De moeder, die onvoorwaardelijk van mij hield. Wij wisten zeker dat mijn vader ergens op de golven aan ons, aan mij moest denken. Misschien nog in bange afwachting of ik echt wel was geslaagd, ondanks mijn zekere houding toen hij drie dagen geleden vertrok: zwaaiend, langzaam kleiner wordend, onzeker over mijn zekerheid. Wat zou hij opkijken, als het telegram hem via Radio Scheveningen bereikte. Geslaagd –stop- Beurs voor Parijs- stop- Proosten erop –stop…

Mijn ogen zochten troebel de aula af. Alle diploma’s werden uitgereikt, nadat je er officieel een handtekening op had gezet. De docenten stelden zich op bij de deur. Morgen was er nog het slotfeest, maar nu namen zij al afscheid van ons, waaraan veel van hen vijf of meer jaren les had gegeven. In feite leden zij ieder jaar onder dit ritueel. Een jaar voor hen was voor de geslaagde kandidaten een lustrum of meer. Leraar zijn betekende met grote stappen oud worden. Voor ik bij hen in de buurt kon komen, werd ik omringd door klasgenoten, die mij luidruchtig feliciteerden. John met z’n jampotglazen voorop.

‘Ik ben stinkend jaloers op je. Parijs te gek – the place to be- Je bent die studiebollen mooi te slim af Pieter; ze hebben echt de pest in.’

‘Als ik zo’n vriendinnetje had als jij, ging ik niet.’

‘Lul niet man, Parijs huist de mooiste vrouwen van de wereld!’

Kletsend en handenschuddend bereikte ik de eerste van de leerkrachten, uitgerekend de grootste eikel van allemaal, de man van Scheikunde. Hij, die verkering had met onze klasgenote Marjan B., mijnheer Smit. Alle schoolfeesten van het laatste jaar werden door hem bezocht. Wij waren er erg blij mee, maar niet heus.

‘Zeg maar Ger, jongens.’

‘Dat is goed, mijnheer Smit.’

Wat hebben we die vogel gepest! Een beetje medelijden had ik wel. Brandoefening in het scheikundelokaal; het stuk gevogelte riep dan: ’Brand, Brand, Brand.’ Wij moesten snel naar de douches en ons daar opstellen, een droge onzinnige oefening. Iedereen wist donders goed waar de zuurkast en waar de douche was. Van die douches met kettingen, waaraan je moest trekken om een plons water in één keer over je heen te krijgen, zodat je brandende kleding onmiddellijk werd geblust. Wat werd die man kwaad, toen we met z’n allen (gelukkig voor beiden was Marjan B. uitgerekend die dag ziek) na het overbekende ‘Brand, Brand, Brand!’ naar de douches renden en in geveinsde paniek aan de kettingen trokken. Wat waren we nat, wat hebben we gelachen en wat stond die dwaas te schreeuwen. Ik keek naar Anja, die mij een brede lach schonk, terwijl ze de glimmende druppels uit haar gezicht wreef. Haar T-shirt plakte tegen haar lijf, accentueerde haar borsten, haar tepels priemden fier vooruit. Ik had haar willen vastpakken, tegen mij aan willen drukken. Wat was zij mooi, zo breekbaar mooi. Ik voelde verwarrende prikkelingen langs mijn ruggengraat. Ik zag onzekerheid in haar ogen, haar lip trilde even, toen mengde ons gejoel zich weer met het pandemonium in de natte hoek van het scheikundelokaal. Die gekke Smit maar krijsen, dat wij volslagen idioot geworden waren, dat wij allemaal geschorst zouden worden, dat wij mee moesten naar de directeur!

Nu gaf ik mijnheer Ger Smit een hand, terwijl ik ons nog soppend in onze kletsnatte kleren over de gang zag marcheren. De donderpreek van Oom Piet die volgens ons wel heel vaak naar beneden keek om zijn lach te onderdrukken. Hij zou zich beraden op een passende straf. Daar is nooit wat van gekomen.

‘Eh, dank u.’ Ik kon het nog net uitbrengen als antwoord op de felicitatie van mijnheer Smit, om onmiddellijk oog in oog te staan met de volgende leraar. Mijnheer Beukenkamp, aardrijkskunde, minstens zo’n ei als Smit. Zijn lokaal was op de eerste verdieping, de trappen leken drie keer zo hoog, als wij naar die man moesten. Het was er altijd zo verschrikkelijk saai. Tot die keer, dat de schilder aan de buitenkant van de school bezig was en zijn stellage in de pauze had verplaatst tot onder de ramen van het aardrijkskundelokaal. Na de pauze sloften wij het lokaal binnen. Mijnheer Beukenkamp zat achter zijn tafel en keek ons verveeld aan. Ik werd in de deuropening opzij geduwd door mijn wild gesticulerende klasgenoot Jan Willem. Hij riep, dat hij dat rot aardrijkskunde niet meer zag zitten, dat hij nog liever doodging, dan dit nog mee te moeten maken. Hij liep rechtstreeks naar het raam, trok het raam open en stapte naar buiten. Mijnheer Beukenkamp sprong als door een wesp gestoken op en rende naar het raam:’ Neeee, niet doen!!!’

Spierwit keek hij in de leegte achter het raam. Wij dromden allemaal om hem heen. Tergend langzaam kwam het breed grijnzende gezicht van Jan Willem weer boven de vensterbank uit, het plankier van de schilder onder zijn voeten. Beukenkamp kon, zijn adem leek hem ontnomen, niets meer uitbrengen, greep J.W. bij zijn kraag en sleepte hem naar de gang. Het is een hele heisa geweest, ouders erbij, voorlopige schorsing en nog meer en wij hebben er enorm om gelachen, maar dat telde niet.

Ach, daar stond die lieve Ockers, Okkie voor intimi, leraar Duits, lief, veel te aardig, kwetsbaar, een dankbaar doelwit. Op zaterdagochtend, het laatste uur van de week, Duits. Als in een boze droom, lessen spraakgebrek op het moment dat je gedachten al lang waren afgedwaald naar de voetbalwedstrijd van die middag- het jeugdteam van ‘Sparta’- of naar het optreden van de avond met de band. Een repetitie op dat moment was een compleet horrorscenario. Wat hadden we Okkie tuk, toen we met de hele klas de orgeldraaier van de markt hadden ingehuurd om voor het raam van het lokaal te komen spelen. Minimaal tien minuten, te beginnen om tien over elf. De man stond er en wij tegen Okkie roepen, dat we door dat rotlawaai onmogelijk onze repetitie konden maken.

Het hoofd van Okkie uit het raam: ‘Mijnheer, wilt u misschien zo vriendelijk zijn wat verderop te gaan. De leerlingen kunnen zich door eh, uw muziek niet concentreren.’

‘Brave mijnheer, ik staat hier voor mijn brood, net als u daar. Ik gaat zo verder, maar ik hebt mijn verplichtingen.’

Die verbaasde kop van Okkie, hij snapte er niets van.

‘Goed jongens, we zullen de repetitie maar uitstellen naar woensdag.’

Gejuich, stiekem gegrinnik, mijn maatje Jos openlijk proestend van het lachen tot uiteindelijk de hele klas de slappe lach kreeg. En Okkie maar hulpeloos kijken, de goedzak.

Driftig schudde hij mij de hand.

‘Pieter, ik vind het geweldig, gefeliciteerd. Ik hoop dat je je ervaringen nog eens komt vertellen.’

‘Eh, oh ja zeker, U ziet mij vast nog wel een keer.’

Daarna liep ik de liefste man van de hele school tegen het lijf, mijnheer Been, leraar Engels. Werkelijk een schat. Natuurlijk hij was wel eens boos, maar dan had iedereen onmiddellijk meelij en keerde de rust snel terug. De onmacht die hij een half jaar geleden uitstraalde, toen zijn vriend en levenspartner overleed, stond mij nog helder voor ogen. Wij leden, rouwden met hem mee, konden er niet van loskomen, wilden allemaal helpen, maar wisten niet hoe. Ik kon er niet van slapen. Iedereen werkte in die tijd keihard aan Engels, de resultaten waren geweldig en wij hadden het idee daarmee het verdriet van mijnheer Been te verzachten.

Ik schrok op uit mijn gemijmer, toen hij mijn hand stevig in de zijne nam. Ik zou hem willen omarmen, maar ik kwam niet verder dan een schuchter ‘dank u wel’, na een reeks over mij uitgestrooide, lovende woorden. Weer die vraag: ‘zie ik je nog eens?’

‘Zeker weten, ik moet u in ieder geval nog een boek teruggeven.’

‘Dat geeft zekerheid.’ Been lachte breeduit na het uitspreken van het woord ‘zekerheid’.

Met een groot gedeelte van de klas hadden wij onlangs een bezoek gebracht aan zijn nieuwe appartement in Lombardijen. Been had een kamer ingericht als bibliotheek en daar stond ik uitgebreid in te neuzen. Juist toen hij achter mij kwam staan, stond ik met rode oortjes te lezen in het boek met de titel ‘Zeventien’ van Carl Erik Soya.  Een verhaal van ontluikende seksualiteit bij een zekere Jacob, die op zijn zeventiende verleid werd door Vera, het dienstmeisje van zijn tante en tot over zijn oren verliefd was op zijn nichtje Vibeke. Een verhaal dat zich afspeelde in het Denemarken van 1913, bol van de erotische spanningen, die jaren later nog gevoeld werden door naoorlogse HBS’ers.

‘Aha, Pieter, geïnteresseerd in Deense literatuur? Als je wilt mag je dit boek wel lenen, het is zeker de moeite waard.’

Uit het niets gekomen stond hij naast me, gehuld in een walm van zweet en muffe, ongewassen kleren, Hans Hameel, de niet te evenaren winnaar, New York! De rode pukkels, die, glimmend van het vocht, overal op zijn hoofd plaatselijke uitbarstingen veroorzaakten, leken feller dan ooit. De dikke, donkere bril op zijn neus, vettig van de mee-eters, paste perfect in het decor van zijn intelligentie en zijn sociale onvermogen.  Ik stelde mij zijn kamer voor, klein, donker, muf, gordijnen dicht, een felle bureaulamp aan, waaronder hij prevelend zijn huiswerk maakte, studeerde en zweette. Een straalkacheltje warmde zijn witte droge benen en zijn vochtige voeten zwommen in pantoffels met grote bruine ruiten. In die kamer stelde hij natuurlijk ook zijn spoorboekjes samen. Zijn enige voor ons zichtbare hobby: spoortje spelen op weg van huis naar school en vice versa. De eerste lantaarnpaal op de Dordtselaan was tevens het eerste station op zijn tocht terug naar huis, tenminste als hij op dat moment geen sneltrein was. In dat geval stopte hij pas voor de eerste keer bij de ‘Zuidpleinflat’. Dit punt was een duidelijk overstapstation, gezien de lange tijd die hij daar bleef staan. Soms zaten we hem extra dwars door voor hem gaan te fietsen. Panisch loerde hij dan op zijn horloge en als hij probeerde te passeren, verhinderden wij dat.

‘Hé, Hansje, je kan niet zomaar naast de rails gaan rijden, er zijn hier nergens wissels, weet je.’

Scheldend bleef hij dan driftig achter ons stampen, om bij de ‘Zuidpleinflat’ onmiddellijk, dat wil zeggen na hooguit een halve minuut wachttijd, door te rijden. En wij, leeghoofden zonder een ingewikkelde hobby, domme voetballers, irritante nietsnutten, bleven lachend achter.

Ik stak mijn hand uit naar Hans.

‘Gefeliciteerd Hans, geweldig man, veel plezier in Amerika.’

Ik meende wat ik zei, terwijl ik mijn hand voelde glibberen in de natte hand van Hans. Hij keek schuin langs mij naar de grond en stamelde onderbroken door een kakelend gegiechel een dankjewel in mijn richting, met iets van ‘jij ook goed, zeg’ en ‘wie had dat verwacht’ als aanvulling. Ik schoot in de lach: ‘wie had dat verwacht’, zei die freak, geweldig!!

‘Zo jongeman, kom jij eens even bij de juf.’

Ik werd aan mijn mouw getrokken, terwijl Betsie van de Berg tegen mij sprak met haar welbekende hoge stemgeluid. Mevrouw Mr.Drs. B. van de Berg was docente Economie en Recht. Een heerlijk gek mens, minder dan 1.55 hoog, maar met de grootste mond van iedereen. Driftig stappend kwam zij het lokaal binnen met een tas vol schoenen, die tijdens de les regelmatig werden verwisseld. Ik zie haar nog binnenkomen, een hoofdletter K op het bord schrijven, waarna zij wel vijf keer in de richting van de klas brulde, dat wij dit niet mochten vergeten, nooit mochten vergeten. Het belangrijkste economisch gedachtegoed, daar konden wij arme schepsels niet om heen, nooit omheen, een groot man. Zij stevende rechtstreeks naar haar lessenaar en klom op haar stoel, haar beentjes bengelden los van de grond.

‘Maar eh, juffrouw, eh…over wie heeft u het eigenlijk?’

‘Stommelingen, lapzwansen, luie vlerken, cultuurbarbaren. Het zij jullie aangerekend een dermate blijk van onbenulligheid, wie kent nou Keynes niet, een grotere geest hebben wij niet gehad tot eh…tot eh…’

‘U geboren werd, juf?’

‘Pieter, wil jij je brutale, domme mond eens houden, weet je wel hoe je Keynes schrijft?’

‘Eerlijk gezegd niet, juf. Nou ja, in ieder geval met een K.’

‘Zie je wel, snotneus, houd je mond ook! Schrijf op: Keynes, K…e…y…n…e…s, de vader van de Vrije Economie, met hoofdletters. De uitvinder van de vrije markt enzovoort, onthouden!!’

‘Moet dat laatste ook worden opgeschreven, juf?’

‘Loekie, jou had ik intelligenter gedacht. Hebben jullie ooit van Karl Marx gehoord?’

Een volmondig ‘Ja’ schalde door de klas. Iedereen was blij bij de les te zijn en iets positief te kunnen beantwoorden.

‘Onmiddellijk vergeten, waardeloos!!’

Onze Juffie van de Berg ten voeten uit. Ze veranderde haar houding bij het wisselen van haar schoenen, te volgen was ze niet, maar wat geeft het. Ik associeerde haar met een nummer van ‘The Byrds’: ‘To everything, turn, turn, turn, there is a season turn, turn, turn, and a time to every purpose under heaven…’

‘Zit niet te dromen, stuk onbenul.’

De juf hield haar hoofd schuin over haar tafel in mijn richting en schoof naar achteren op haar stoel. Jos, bandgenoot en buurman stootte mij aan en wees onder de lessenaar, waar onze tafels tegenaan waren geparkeerd. Ik keek tegen een blauwe, glimmende, halflange onderbroek aan, die net boven de knie met een sierlijk koordje was dichtgebonden. Door het opkruipen van de rok van Betsie was vrij uitzicht onontkoombaar, ik kon er niet omheen. Als door een magneet werden mijn ogen gedwongen gericht te blijven op het blauwe schouwspel, ik hield het niet meer, het floepte eruit…

‘Juf, wat heeft u een mooie onderbroek aan.’

Betsie keek mij verbijsterd aan, ging staan, trok haar rok glad, keek de klas in en richtte haar vinger op Els, die vooraan in het midden aan een tafel zat. Wij hielden onze adem in.

‘Meisjes, kijk uit voor deze jongen!’. En vervolgens tot mij:

‘Viezerik!’

De les ging verder, ik heb niet meer op durven kijken. Niemand heeft dat gedurfd, iedereen stond onder spanning door de angst in een lachbui uit te barsten. Wij werkten allemaal met gebogen hoofd aan ons dictaat om nu en dan stoom af te blazen door zachtjes in de bladzijden te proesten. Ik zag bij Jos een traan op het glas van zijn bril uiteenspatten.

Juffie van de Berg hield mijn beide handen vast, haar ogen glinsterden, zij was oprecht verdrietig over het vertrek van deze lichting en wij over het weggaan bij haar. Eén ding was zeker. Deze bijzondere vrouw vergeet ik nooit meer en zal door de generaties die haar meemaakten niet vergeten worden; ‘name her and you will know her!’

‘Pieter, jongen, het ga je goed. Jij redt het wel, rotjochies redden het altijd. Jammer dat je vertrekt, ik had je nog veel kunnen leren. Jij bent eigenlijk nog te dom om te vertrekken, maar ja, dat is het leven: still going strong. Ik zal je wel nooit meer zien, maar kom nog eens langs.’

Zo nam de Juf afscheid, ze zou het niet anders hebben moeten doen, ik had haar niet geloofd.

‘Juf, ik zal u missen, geloof dat maar, maar blijven lijkt mij geen optie. Ik heb veel van u geleerd, bijna te veel en eh… ik zie u morgen toch wel op het afscheidsfeest in de aula? Onze band treedt op.’

‘Nee, slijmbal, ik kan niet tegen die herrie, als je belooft dat er lange pauzes zijn, kom ik wel in zo’n pauze.’

‘Afgesproken, tot morgen.’

Ik voelde een vorm van opluchting. Een goed gevoel, dat ik geen definitief afscheid hoefde te nemen van deze vrouw, deze school, deze aula, er was nog een morgen. ‘To everything, turn, turn, turn, there is a season, turn, turn, turn, and a time for every purpose under heaven.’

Ik vertrok met mijn moeder naar een restaurant, wij hadden wat te vieren.

Baby I feel good from the momen I rise, feel good from morning till the end of the day’.

‘Een Ray Davies nummer, gezongen door Wilfred. Dit keer geen recital door een zwetende violist van het Rotterdams Filharmonisch of zo’n krukkenwippende pianist, maar een rockgroep. De eerste keer in het bestaan van de aula, in het bestaan van onze HBS. De zaal vol dansende jeugd, vierde en vijfde jaars (Mocht je je als je net klaar was, je nog vijfde jaars noemen?). HBS’ers en MMS’ers, lekker uit hun dak. Enkele jonge docenten, wat dacht je van Ger Smits, swingden en zongen volop mee. De rest van de aanwezige leraren bekeek de kronkelende meute geamuseerd vanaf de zijkant. Leerlingen, die zij met zoveel pijn en moeite enige vorm van kunst, cultuur en normbesef hadden meegegeven.

Ik zag Betsie van de Berg onder luid gejuich van de leerlingen een rondje draaien, haar armen boven haar hoofd, haar vuisten gebald. Nog een ‘Kinks’nummer: We are strictly second class, we don’t understand…What are we living for…People are living in dead end street, gonna die in dead end street, born and die in dead end street, dead end street, dead end street…

Ik voelde de Afrikaanderwijk rondom het schoolgebouw loodzwaar op mijn schouders, de sombere huizen, de smalle portieken met die eindeloze trappen, waarlangs kookgeuren een weg naar beneden zochten. Geen speelstraat voor kinderen. Er heerste een benauwde drukte. Voor de rest alleen maar dronkenmansgelal, vechtpartijen, te ver van het schip geraakte zeelieden, een markt vol handel en schreeuwende kooplieden, vette patatlucht, platgetrapte puntzakjes op de grond, met hier en daar een kledderig spoor van mayonaise. Tegen het spoorwegemplacement was de straat met die grauwe muur, waarlangs slierten geroest en allang vergeten prikkeldraad waren gespannen. Daarvoor de verveloze huizen, eeuwig in de schaduw van de muur, donker en uitzichtloos. Het geknakte bordje op de scheefgezakte paal met de tekst ‘doorgaand verkeer gestremd’ vertelde alles over de straat.

‘Dead end street, dead end street, people live in dead end street, people are dying in dead street, born and die in dead end street.’

De aula stond bol van geluid bij het volgende nummer van Ray en Dave Davies; gejuich bij de subtiele opening door Jan Prins. Aarzelend werd meegezongen met de eerste stukken tekst …’Drowning my sorrows in whisky and gin’ …en uit volle borst …’Let’s all drink to the death of a clown.’

Even pauzeren, de rolluiken van de balie achter in de aula trilden omhoog, dopjes knalden van flesjes, glazen vermenigvuldigden het geluid van koolzuur. Voor het eerst was er bier te krijgen in dit bolwerk van conservatisme. Ik staarde zittend op de rand van het podium de zaal in, waar de directeur ons zo vaak om uiteenlopende redenen toesprak. De krakende stoeltjes en het geroezemoes dat direct verstomde bij zijn legendarische opening: ‘Jongelui!’ Die ochtend, toen hij ons mededeelde, dat Frans Kopgaard plotseling was overleden, vergeet ik nooit meer. Stille Frans, teruggetrokken, altijd angst uitstralend naar zijn omgeving, nooit gepest, maar er ook nooit bij gehaald door ons. Dood aangetroffen door zijn moeder. Wij hoorden niets over een oorzaak, maar wisten genoeg. Deze aula, die zich vulde met zacht gesnotter, emoties die werden weggekucht en spontaan huilende klasgenoten. We hielden een emotionele minuut stilte, gedompeld in de spijt, die we voelden, omdat we hem niet hadden toegelaten tot ons leven. Omdat we hem nooit hadden geholpen weg te komen uit de donkere hoek van zijn gevoelens. Gevoelens die wij niet zagen, niet deelden, hebben onderschat.

Maar dit was ook de aula van mijn eerste optreden, in het toneelstuk ‘de Gehangene’. De ouders zaten in de zaal en zoals het ouders betaamt bijzonder enthousiast. Deze aula van mijn eerste danslessen, rondjes in de zaal dansen onder leiding van die verschrikkelijke dansleraar ‘quick, quick, slow bij Meijer dans je zo.’ Met de contrafox kwamen de meisjes zo snel mogelijk op hun favoriete jongen af.  Als jongen hield je je adem in. Niemand wilde dansen met het lelijkste meisje van de klas, maar soms ontkwam je er niet aan. Zeker als Anja mij wilde pesten en, in tegenstelling tot de andere keren, tergend langzaam naar de overkant liep.

Hier was ook het platform van de kolderdag, toen we de rollen hadden omgedraaid. De docenten op de stoeltjes en wij op het podium:’ And I do believe we shall overcome some day …’, ‘The Times They Are A Changin’….

Ik voelde een hand op m’n schouder, die zachte druk, een langgeleden vertrouwd gevoel. De hand bleef, klemde zich vaster. Ik keek schuin naar boven, zij staarde over mij heen naar het midden van de zaal, in trance, alsof zij haar hand niet opmerkte. Ik keek de zaal weer in, zij sprak langzaam:

‘Wat zal ik dit missen, die speciale lucht, die veiligheid van hier met z’n allen, vijf jaar en dan is alles op. Ik zal het allemaal missen, ik zal jou missen, ondanks…’

Anja haperde, staarde stil voor zich uit, slikte. Ik keek nu recht in haar mooie ogen, in haar kwetsbaar gezicht, met die vertrouwde glimlach. Een traan gleed traag over haar sierlijk hoge jukbeen.

‘Wat ondanks?’

Zij schokte met haar schouders, wendde haar hoofd met een ruk opzij, verborg haar blik in de ruimte, maar bleef in mijn schouder knijpen. Ik zag haar op haar lippen bijten.

‘Ondanks mij, of ondanks Huub, of juist dankzij Huub?

‘Hou op, niet doorgaan, nee niet doorgaan…’

Ik zag haar ogen huilen, ik voelde een brok in mijn keel, voelde ook mijn tranen opwellen. Ik moest mij vermannen, jongens mochten niet lijden aan emotionele incontinentie.

Ik keek nog een keer het leeggestroomde centrum van de aula in.

‘Ik zal dit ook missen, ik zal jou missen, ik zal nog veel aan je denken, ik weet het zeker, maar hier is het afscheid tussen ons, definitiever dan een half jaar geleden. Weet je, ik voel me rot.’

‘En toch sta je hier te spelen en te zingen?’

‘Muziek voelt beter dan rot, houdt je hoofd vol, geeft je energie, jij stond in de zaal toch ook te zingen.’

‘Je hebt gelijk, ik leek blij, maar ik ben het niet.’

Ik pakte haar hand en leidde haar naar de achterzijde van het podium. Ik wilde even dat niemand ons zag. Haar ogen glommen naar mij op, mijn mond zocht haar mond, haar tong streelde mijn tong. Ik voelde de warmte van haar fluwelen korte jurk. Anja drukte haar lichaam tegen het mijne, een intimiteit waarvan ik dacht die nooit meer met haar te hebben. Verwarring maakte zich een ogenblik meester van ons allebei. Niets bewoog meer aan ons, onze blikken kruisten, gevuld met enige paniek, waarna een warme kus onze schuldgevoelens liet ontsnappen. Het zweet brak ons uit en vermengde zich met onze tranen. Ik probeerde haar vocht weg te kussen. Onze tongen speelden het oude spel, vol passie, alsof wij ons wilden verbergen in het verleden, ver weg van de werkelijkheid. We wisten, dat we elkaar voor altijd los moesten laten.

De zaal zong uit volle borst mee. ‘I see a red door and I want it painted black.’ Ik zag haar terug in de swingende menigte naast Huub, haar handen in de lucht, haar mond bewoog met de muziek. Een opgeluchte lach klaterde van haar af, bevrijd door ons afscheid. Iedereen was op de vloer. Allemaal bezig met het ritueel van het afscheid, allemaal uit hun dak om maar niet aan morgen te hoeven denken. …No color’s anymore I want them to turn black

Ik zag John voorbijschuiven in een polonaise met mijnheer Been voorop, mevrouw van de Berg in het midden, achter John zijn kleine donkere engel, introducé en toegelaten tot de gewijde ruimte van ons verleden. Joyce lachte breed, keek mij voor de zoveelste keer recht in het gezicht en zwaaide uitgelaten. Mijn maag kromp ineen. Oom Piet straalde in de luwte van dit pandemonium grote tevredenheid uit. Zijn laatste jaar als directeur, wij waren zijn laatste lichting, die hij aan de grote buitenwereld toevertrouwde. Wij moesten op eigen benen verder en hij wist dat het ging lukken. Betty danste met Lian, de vriendin van Jan Prins. Ik had haar nauwelijks gesproken, zij draaide met haar handen in de lucht naar het podium en tuitte haar lippen in de kusvorm. Ik tuitte terug. Nummers passeerden, de dansers wisten van geen wijken. Wij dansten over het podium. Wilfred zong geweldig, De band was niet eerder zo goed. Ook wij hadden een soort afscheid, in ieder geval Jos en ik. De toekomst was onzeker. Zeker was, dat onze wegen zouden scheiden en dat de band jeugdsentiment zou worden. Wanneer wisten we niet, maar misschien was dit de laatste keer.

De uitsmijter kon en mocht niet worden uitgesteld. Na vier toegiften op ‘We want more…’ gaf de directeur ons duidelijk te kennen dat het echt afgelopen moest zijn: nog één nummer. Hij was streng en rechtvaardig en wat wij in de loop van de jaren ontdekten: hij was geweldig ruimhartig.

…I can’t get no satisfaction, I can’t get no, no, no, no…

Het dak ging eraf. Een nummer van vier minuten, dat door ons pas na tien minuten werd losgelaten in zinderende akkoorden vermengd met een oorverdovend gezang uit de zaal.

Met de armen om elkaars schouder bekeken Betty en ik staand op het podium de mensen, mijn maten uit de afgelopen vijf jaar die vertrokken, waarvan sommigen voorgoed. Ik voelde een tweede arm rondom mijn schouders. Jos stond naast mij met vriendin Margot aan zijn andere zij. We keken elkaar lang aan. Zijn bril verborg zijn waterige ogen, de mijne traanden openlijk:

‘Dat was het dan Jos. Weet je, ik had nooit gedacht, dat ik dit moment zo moeilijk zou vinden.’

‘Dat kan je wel zeggen, Piet, dat kan je wel zeggen. Er zijn dingen waar je naar uitziet, maar als het zover is, blijf je er toch maar liever naar uitzien.’  Kom Piet we gaan zoenen en handjes geven’.

November begeleidde in een sluier van motregen oktober naar de wachtkamer, over een jaar was het haar beurt weer. In mijn onzekerheid hoopte ik, dat het snel opnieuw oktober werd, dan was ik weg uit Parijs. Het leven in Parijs gaf mij een gevoel van onveiligheid, maakte me klein, kwetsbaar en riep een niet te definiëren vorm van heimwee op. Ik moest mijn brief aan Betty afmaken, ik nam mij voor dat nu echt te gaan doen…

Lees over veertien dagen verder op de website…

Niko van der Sluijs

Mobiele versie afsluiten