Site icoon VOM HU

‘Een liefde op de barricade, Parijs 1968’ – hoofdstuk 10

Hier volgt het tiende hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricade, Parijs 1968’ van Niko van der Sluijs.
Nieuwsgierig hoe het verder gaat? Over 14 dagen vind je hoofdstuk 11 op deze site.

Na Claouey ben ik direct teruggegaan naar Nederland, vanwege de keuring voor militaire dienst. Weer dolle avonturen met de band en de waarheid over Joyce.

10. Flarden
‘Back Home’

De laatste flarden muziek van ons optreden stierven weg en het in trance dansende publiek beloonde ons met een daverend applaus. De Pam Pam in Scheveningen, de dansvloer onder de bowlingbaan, vlakbij het Palais de Dance. We speelden in het walhalla van de pop, op een steenworp afstand van het Kurhaus, de plaats van het legendarisch optreden van de Rolling Stones in 1964.

Legendarisch was het, maar leuk heb ik het niet gevonden, laat staan geweldig. In de zomer van 1964 was ik samen met mijn vriend Wilfred een oom in Leiden aan het helpen met een verhuizing. Van onze band was toen nog geen sprake. Mijn oom verhuisde naar een andere straat. Met een grote bakfiets werd het meubilair verhuisd. Wij vermaakten ons er best mee. Onderweg haalden we de kachelplaat en een bezem van de bakfiets en speelden we Ivanhoe  (uit de kinderserie op tv). We sliepen op de kamer van mijn nichtje, waar we een verzameling chocolade paaseieren aantroffen, die als trofeeën waren uitgestald. Zonde vonden wij dat en besloten daar stevig de tanden in te zetten, wat geschiedde.

Mijn broer kwam ‘s morgens met een vriend langs. Zij hadden kaarten voor de Rolling Stones, die de volgende dag in het Kurhaus zouden optreden. Het ‘noodlot’ wilde, dat zij een uitnodiging hadden gekregen voor een feest in Amsterdam en daar dus de voorkeur aan gaven. Of wij naar de Rolling Stones wilden. Ja, wij wilden wel. De Rolling Stones was onze favoriete band, dat leek ons wel wat. Mijn oom stelde voor ons met de auto naar Scheveningen te brengen en na de voorstelling op te halen.

De auto stopte voor het Kurhaus. Het was koud en bewolkt. Het kon ieder moment gaan regenen, waardoor we zo snel mogelijk bij de ingang wilden komen, waar het inmiddels een drukte van belang was. Ik schrok bij het zien van de mensen, die daar stonden. Allemaal veel ouder dan wij. Mensen in T-shirts met de Rolling Stones erop, leren laarzen en langer haar dan wij. De jongens stonden naar elkaar te schreeuwen en opmerkingen te maken tegen de meisjes, die ertussen stonden. Mooie meisjes, waarnaar ik niet durfde te kijken, bang dat ik rood zou worden.

Binnen was het al een enorme chaos. Er werden allerlei artiesten aangekondigd, die voor de pauze zouden optreden. Niemand luisterde, iedereen joelde. Het was een oorverdovend lawaai in de zaal. Ik kon door de drukte en omdat niemand rustig bleef zitten, niet zien wie er op het podium stond. Het geluid bereikte ons nauwelijks. Het publiek schreeuwde massaal om de Rolling Stones. We klommen op de stoelen, om iets te kunnen waarnemen. Voorin was het zo te zien behoorlijk onrustig. Er stonden mannen op het podium om een paar jongens tegen te houden, die tegen de rand van het podium stonden. Soms zag ik een glimp van de artiesten. Een paar tutjes met opgestoken haar (de Fouryo’s), die wat pasjes heen en weer deden en iets zongen, dat ik niet verstond en een man, die begeleid door een bandrecorder, allerlei geluiden stond te maken. Een enkel optreden klonk aardig, maar we konden niet zien, wie er optraden.

Het was pauze en er gebeurde van alles. Voorin klommen mensen het toneel op en werden het publiek weer ingesmeten. Er klonk gitaargeluid, iedereen begon hard te schreeuwen en naar voren te dringen. Ik kreeg het benauwd en zag Wilfred bang mijn kant op kijken. De Rolling Stones kwamen op. Ik zag Mick Jagger op het podium maar niet voor lang. Het publiek klom over de stoelen naar voren. Wilfred en ik werden tegen de zijkant geplet en zochten een beter heenkomen naar achteren. Het hek was van de dam. Het geschreeuw nam toe en het geluid van de Stones kwam er niet meer bovenuit. We zagen agenten op het podium verschijnen, die meehielpen het publiek letterlijk terug de zaal in te gooien. Er vloog van alles door de lucht. Ik zag dat het vooral stoelpoten of armleuningen waren. De gordijnen werden dichtgetrokken, kennelijk om te voorkomen, dat de mensen op het toneel geraakt werden door de projectielen uit de zaal. Er gebeurde van alles tegelijk. Er stormde steeds meer politie het podium op, die er flink op los sloeg. Iedereen probeerde een goed heenkomen te zoeken. Wij keken om ons heen of er nooddeuren waren, die open konden, maar er was geen andere uitweg, dan de deur waardoor we naar binnen waren gekomen. Ik kreeg het doodsbenauwd. De weg voor ons was afgesloten. De massa bewoog naar de deur en weer terug; een dreigende golfbeweging, waartussen politie links en rechts om zich heen sloeg. Wilfred gilde in mijn richting, dat er politiehonden de zaal werden ingejaagd. Die lui waren krankzinnig geworden. Ingeklemd tussen grote vluchtende lijven werden we een richting opgedrukt. Er waren andere deuren, zag ik. Ze bleven gesloten. Naar adem snakkend, bereikten we de buitendeur. Buiten was het ‘feest’ niet over. Overal bereden politie, die iedereen die naar buiten kwam, wilde opdrijven en in elkaar slaan. Ik zag dat er rake klappen werden uitgedeeld. In paniek renden we langs het Kurhaus naar de doorgang tot het strand. Eenmaal op het strand was er geen politie meer en haalden we opgelucht adem. Het duurde nog twee uur, voordat mijn oom ons op kwam halen. Achteraf heb ik gehoord welke nummers de Stones hebben gespeeld. De klanken van ‘Not fade away’ had ik opgevangen, maar die van ‘Oh Carol’ niet. Later hoorde ik dat dat nummer helemaal niet was gespeeld. Voor de rest werd beweerd, dat de Stones ‘Walking the Dog’ hadden gespeeld en een stuk van ‘Susie-Q’, maar daar ben ik niet zeker van. Het enige dat ik onthouden heb, is, dat ik bang was, heel bang.

Den Haag en Scheveningen hadden ongeveer negentig procent van de belangrijkste bands binnen de stadsgrenzen. The Golden Earrings met Frans Krassenburg; wat was ik jaloers op die nummers van hen: ‘Please go’ en ‘That Day’. Q65, ‘The Life I live’, The Motions met Rudy Bennett, ‘Wasted Words’, The Shoes met Theo van Es, ‘Na Na Na’, The Tee Set met Peter Tettero, door iedereen steevast ‘Beertje’ genoemd, ‘Don’t you leave’. Verder waren er The Sandy Coast van Hans Vermeulen, ‘A girl like you’ en niet te vergeten Johnny Lion, ‘Sophietje’. Johnny was begonnen bij The Jumping Jewels, een coverband van The Shadows, ‘Apache’, de begeleidingsband van Cliff Richard.

Jan Prins was tijdens een ‘jamsessie’ met enkele Haagse jongens in contact gekomen met ene Hans, gitarist bij de legendarische Tielman Brothers, ‘Little Bird’. Zij speelden vaak in het Palais de Dance in Scheveningen, vlakbij de Pam Pam. Hans introduceerde Jan bij de Pam Pam en wilde er zelf bij zijn. Wij voelden ons vereerd, ondanks dat de muziek van deze Indo-rockers mij niet zo aansprak.
We denderden als vanouds door ons programma. Het leek of ik nooit was weggeweest. Zonder een akkoord te missen, speelde ik alle nummers met gemak mee. Heerlijk die vertrouwde geluiden, nog even dat gevoel van onze oude optredens in de Rotterdamse wijkgebouwen en kroegen, op de campings in Oostvoorne en Den Briel en niet te vergeten in de aula van de HBS.

Inmiddels was ik goedgekeurd voor militaire dienst, ondanks mijn niet al te enthousiaste houding tijdens de keuring in Delft. Een veewagen met jonge mensen, het potentieel om tot kanonnenvlees te worden klaargestoomd. Zo ervoer ik het in de trein die je op kosten van de Staat mocht, nee, moest nemen. Gevangenen op weg naar een werkkamp. ‘We love you’, The Stones. Met z’n allen in de rij, om verplicht te moeten luisteren naar een fanatiekeling met zo’n domme platte pet en glinsterende koperen sterretjes op zijn schouders. Iedereen op de weegschaal, waarbij ‘sterretje’ riep, dat we onze schoenen uit moesten doen en in onze linkerhand moesten houden. Met als gevolg dat iedereen de schoenen rechts vasthield en ‘sterretje’ begon te hyperventileren. Met z’n allen testjes maken en geluiden ‘morsen’ door met je vinger op een apparaatje te duwen. Met z’n allen eten opvangen in blikachtige borden en drinken uit een zinken mok gevuld met ondefinieerbaar vocht, dat door ‘sterretje’ steevast ‘Kafé’ genoemd werd. Met z’n allen naar de dokter, die zijn ijskoude stethoscoop hardhandig tegen je blote bovenlijf drukte. Met een hand voor een oog loeren naar een bord met grote en kleine letters. Allemaal zwart wit terwijl mijn buurman riep, dat hij kleurenblind was, wat genegeerd werd. Met z’n allen een potje vol pissen op het toilet. Voor degene die er wat moeite mee had, was er bij de anderen voldoende over, zodat er een driftige urine-uitwisseling plaatsvond. Sommige aspirant-militairen probeerden hun overtollige urine vanaf een meter of twee in een urinoir te mikken, waardoor de toiletruimte stinkend als een pas gegierd weiland achtergelaten werd. Eén voor één een gesprek met een soort psycholoog die naar niemand luisterde, maar keek alsof hij aan de bloedmooie vrouw dacht, die deze engerd nooit zou krijgen. En dan ben je tegen je zin goedgekeurd.

Robbie, mijn vervanger in de band, was niet meegekomen. Eigenlijk was het anders. Hij was met geen tien paarden uit bed te krijgen. Bang dat hij een overdosis had gehad, bleven we aan hem trekken tot hij geluid ging uitstoten en ons wazig aankeek. Het leek alsof hij ons herkende en groette, om daarna zijn hoofd weer naar de andere kant te draaien en rustig verder te slapen. We gaven het op.
‘Gewoon lekker met de ouwe hap’, grapte Hofje naar mij, waarna hij naadloos overging op het onderwerp Betty.
‘Je vindt het toch niet erg, dat ik Betty van je overgenomen heb?’
‘Overgenomen? Betty was niet mijn eigendom! Maar als jij over overnemen wil praten, dan krijg ik nog geld van je, hahaha.’
‘Jongen, heb je die scherpzinnigheid in Parijs opgedaan? Ik dacht dat daar alleen gezopen en geneukt werd?’
‘Ja, dat klopt, waarom ga jij daar niet wonen?’
‘Te weinig maagden, weet je.’
‘Dan heb je pech met Betty.’
De toon was gezet.

Het laatste nummer was dit keer voor het publiek. Er was behoefte aan ‘schuifelen’: ‘Tell me’ van de Rolling Stones. Voor het eerst deze avond dacht ik aan Joyce. Waar was zij, was zij inmiddels terug in Parijs? Wilde ik haar nog zien? Was het schaamte, jaloezie of het gevoel afgewezen te worden? ‘I want you back again, I want your love again…Tell me, you’re coming back to me…’ Hier aan het Gevers Deynootplein waren we overigens gestart met ‘Walking the dog’ van de Stones, een swingende opening. Wilfred kwam kruipend op met een halsband om, aan de lijn gehouden door Julius. Gedurfd, zeker op onbekend terrein. Het sloeg in als een bom bij een onverwacht enthousiast publiek. Ik had gedacht, dat die verwende Hagenezen niet zaten te wachten op een band, die alleen in Rotterdam en Oostvoorne wereldberoemd was.

Ook nu weer het gevoel van afscheid nemen. Over twee dagen moest ik terug naar Parijs, waar de colleges weer startten. Dit was mijn laatste optreden met de band, dat stond voor mij vast. Nooit meer spelen met Jos, Jan, Julius, Wilfred en Hofje, vreemd maar niet onverwacht. Volgens mij viel de band uit elkaar, hoewel ik nu de enige was die vertrok. Een vreemd gevoel ging door mij heen. Voor iedereen zou vanaf nu alles anders worden. Het paste hier in Den Haag wel zo’n gevoel te hebben, de stad waar Louis Couperus zijn ‘Van oude mensen, de dingen, die voorbijgaan’, schreef.

‘Zullen we ergens wat gaan drinken?’
De vraag van Hofje bracht mij weer in het hier en nu. Dit was Den Haag, de residentiestad, hier moest ik lol maken, nergens aan denken. Alles moest uit mijn hoofd, Noëlle en Joyce, die er voor mij sowieso uit lag. Op mijn vraag aan Jos of hij Joyce had gezien, gaf hij niet direct antwoord. Julius ging eropin met de wedervraag of ik die kleine zwarte bedoelde, die met John verkering had?
‘Ja, die. Is dat nog aan?’
‘Ja, volgens mij wel. Ik heb die twee een week geleden hand in hand op de Coolsingel gezien, hoezo?’
‘Nee, niks.’
Julius had Joyce gezien met John, dus toch. Het was over voor mij, ik wist het.
‘Wat mij betreft prima’, hoorde ik Jos zeggen.

Jos vond het een uitstekend idee om wat te gaan drinken. Ik had dorst gekregen van het zingen en bij het mijmeren over Joyce kreeg ik meer dan een droge keel. Jan Prins vroeg Hans mee te gaan. Tot mijn verbazing vond hij het een goed idee. Deze man voelde zich niets te groot om met een simpel Rotterdams bandje op stap te gaan, te gek.
De anderen sloten zich bij ons aan, behalve onze manager Gerrit, die met ‘Roadie’ Rob had afgesproken naar de Geleenstraat te gaan.
‘Huh, Geleenstraat, hoezo Geleenstraat?’
‘Dat is de straat met heerlijke hoertjes, wist jij dat niet?’
Jan Prins grijnsde breed, toen hij mij vertelde over de keuze van Gerrit, waarbij hij het woord heerlijk snerpend uitsprak en vooral lang rekte, (héééérlijk) à la Gerrit met de hazenlip. Ik lachte terug met begrip voor Gerrit. Dit was zijn kans.
‘Hé Jan, hoeren zoenen toch niet?’
‘Gadver, ik hoop het niet.’
Beiden zagen wij in onze verbeelding een kusje belanden op de mond van Gerrit. We gruwden ervan. Arme Gerrit en toch vonden wij het maar niets. Ik sloeg Jan op zijn schouder en lachend vertrokken wij naar ergens in het centrum.

Op aanraden van Hans belandden we in een aardige kroeg met de naam la Gaité, waar op dat moment een optreden aan de gang was van een Indo-rockband. Er werd lekker gedanst, een goede sfeer om een biertje te pakken. Hans werd als een held ontvangen en wij, zijn gasten, waren er meer dan welkom. Langzaam voelde ik leunend tegen de lange bar de dorheid uit mijn keel verdwijnen. Het bier deed zijn werk. Alles was droog en gepijnigd door de waarheid over Joyce. Ik probeerde er met Jos over te beginnen, maar het enige wat ik terugkreeg, was een onverschillig gezicht en de vriendelijke opmerking, dat ik eerst naar mijzelf moest kijken. Hij zei, dat hij zich niet kon voorstellen, dat ik bij Noëlle keurig met mes en vork had gegeten. Hij begon te grijnzen en verdwaalde, voor zover zij boven de muziek uit konden komen, in een gesprek met Hans.

Tegenover mij speelde een erg goede band. Niet mijn muziek, maar steengoed. De donkerharige zangeres had een dijk van een stem en speelde tussendoor op een orgeltje. Hans vertelde ons dat we naar The Motowns keken en dat de zangeres Mariska heette. Ik dronk mijn derde biertje, terwijl ik naar de band keek, die in een nog aanwezige kerststal stonden te spelen. Het meisje, dat zong was klein, ongeveer de lengte van Joyce. Haar grote ogen keken soms dromerig en dan weer fel het publiek in. Haar lach was spontaan en open. Joyce, ik zag Joyce terug, alweer. Nu als zangeres met een geweldig geluid, een podiumbeest, Mariska was Joyce. Ik voelde mij ijskoud worden, opzijgezet door Joyce, afgewezen. Ik stond alleen met een glas bier, verdrietig en boos. Wat zag die meid in John. Wat had John, dat ik niet had? Waarom hij wel en niet ik? Mariska keek lang mijn kant op, alsof ze mij observeerde, iets wilde zeggen. Haar ogen vertelden mij wat ik niet wilde weten, wat ik bleef ontkennen: ik had verloren van John. Ik bestelde mijn volgende biertje.

De kroeg deed mij denken aan Casa op de Dreef; bruin, relaxed, mensen van ons slag, wel een hoog percentage indo’s en veel goede muziek. De muziek voerde mij terug naar de tijd, dat ik als een blij kind vol spanning Sinterklaas ging vieren bij mijn oma. Zenuwachtig huppelde ik dan om mijn moeder heen, die in de bijkeuken wat spullen in haar tas stopte. Ik had niet door dat het cadeautjes waren voor mij, mijn broer, neef en nicht. Ik was te opgewonden om het bedrog te ontdekken. In de bijkeuken stond een radio aan en op die Sinterklaasavond hoorde ik The Blue Diamonds, ‘Till I kissed ya’. Twee Indo-broers, razend populair. Ik vond het mooie muziek, omdat mijn moeder meezong met het lied. Nu kreeg ik koude rillingen van het nummer door mijn associatie met The Beach Boys, ‘And then I kissed her’. Het lied van Joyce en mij rennend en rijdend door Parijs. Ik verlangde naar die momenten. Ik wilde haar zien, voelen.

Ineens stond ze naast me en werd door Hans aan mij voorgesteld. Ik voelde mij week worden. Wat een leuke meid. Van dichtbij was zij nog mooier, leek niet op Joyce en ook weer wel. Diezelfde lengte, die lange donkere haren, haar oogopslag. Alles leek op Joyce, behalve die zwarte aangeplakte kunstwimpers, waardoor haar oogleden naar beneden gedrukt werden en haar een vermoeide erotische uitstraling gaven. Ik wilde niet aan Joyce denken, of toch wel? We knoopten een gesprek aan over haar muziek, mijn muziek, onze muziek. Wat een stuk! Dat zij zomaar met mij stond te praten. Ik voelde mij een bekendheid, maar niet lang. De rest van de band werd voorgesteld en de brede rug van Hofje verdrong mij naar de tweede rij. Rond middernacht wandelde tot onze verbazing Wally Tax naar binnen met een paar leden van zijn Amsterdamse Outsiders, ‘We’ll touch’, ‘Summer is here’, ‘Lying all the time’, ‘Monkey on your back…’ Het leek wel of iedereen in Den Haag of Scheveningen gespeeld had. Het werd steeds gezelliger tot onverbiddelijk de laatste ronde werd aangekondigd.

Buiten stond de auto met Rob en Gerrit naast de auto van ‘roadie’ John. Gerrit kwam naar buiten en brulde dat we heel wat hadden gemist.
‘Man, wat een lekkere wijven heb je daar! Helemaal te gek, weet je.’
‘Is het een beetje gelukt, Gerrit?’
‘Zeker weten, niet goedkoop, maar héééérlijk.’
‘Maar héééérlijk’, Jan deed hem na door de laatste woorden met een dichtgeknepen neus in mijn nek te blazen. We konden met moeite onze lach inhouden. Rob vertelde ons, dat hij een rondje had gereden, nadat Gerrit bij de eerste de beste hoer die in beeld kwam, had geroepen: ‘Die ga ik naaien, die ga ik naaien’ en onmiddellijk was uitgestapt. Eén rondje was genoeg, toen stond hij weer op de stoep.
‘Gerrit, je hebt het record ‘snelneuken’ gebroken!’
Hofje kon de woorden nog net uitspreken voordat hij de slappe lach kreeg.
Gerrit stapte in onder het uitroepen van: ‘Ja, ja lachen jullie maar, wie het laatst lacht, lacht het best en dat ben ik.’
Ik zat in de auto bij John samen met Julius en Jan. Voor ons stak een meisje de weg over, waarbij Jan met dichtgeknepen neus riep: ‘Die ga ik naaien, die ga ik naaien.’ Voordat we in Rotterdam aankwamen was de uitspraak vele malen herhaald en had zich in onze herinnering genesteld.

Na twee weken slapen in mijn eigen bed, te gast in mijn oude vertrouwde kamer; na een keuring voor het leger; na een idiote avond in Scheveningen en Den Haag en na de harde waarheid over Joyce, was Parijs de stad, waar ik niet wilde zijn. ‘Drinking on my bed,’ Rob Hoeke.

Niko van der Sluijs

Mobiele versie afsluiten