Site icoon VOM HU

‘Een liefde op de barricade, Parijs 1968’ – hoofdstuk 4

Hier alweer het vierde hoofdstuk van het boek ‘Een liefde op de barricades, Parijs 1968’ van Niko van der Sluijs.
Nieuwsgierig hoe het verder gaat? Over 14 dagen vind je hoofdstuk 5 op deze site.

En dan sta je als vreemdeling midden in Parijs, zoekend naar het adres waar je volgens de brief ontvangen zou worden. Vreemde mensen, die het verdomden een woord Engels te spreken, je werd direct het diepe ingegooid. Het eerste moment, je eerste Parijse contacten, waarna je als kwetsbare puber, het liefst weer naar huis ging. Terug naar het vertrouwde oude. Door mij met de moed der wanhoop in de maalstroom mee te bewegen kwam ook in Parijs enig licht op mijn weg.

4. Parijs, najaar ’67
‘Ne me quitte pas’

De bankjes voor de Sacré-Coeur glommen in de zon. Het typisch Franse tafereel was niet aan ons besteed. Jos en ik hadden veel te bespreken. Het leek eeuwen geleden, het afscheid op het podium in de aula van onze oude school. Zoals we toen stonden, zaten we nu samen, als in een droom neergelaten, in een park midden in Parijs. Een plaats met uitzicht over de stad, de ruimte die we nodig hadden om te beginnen met onze verhalen. Jos was het weekend in Parijs als reisleider in dienst van een Nederlandse touroperator. Van maandag tot vrijdag Economie studeren in Rotterdam, vrijdagavond in de bus met een groep toeristen naar Brussel of Parijs en op zondagavond weer terug. Dit was zijn derde rit naar Parijs en de eerste keer met een vrije dag. Het was begin oktober 1967 en ook voor het eerst dat ik hem terugzag sinds het afscheidsconcert. Ik vond, dat hij er goed uitzag. Zijn smalle gezicht, de frisse blik achter het bruine brilletje, zijn gulle lach, alles was er nog, net als zijn behoefte aan roken. Hij stak de zoveelste Gauloises op.

Achter ons de vuilwitte contouren van de basiliek, waarvoor in 1875 de eerste steen werd gelegd en die pas in 1914 werd voltooid. Die arme architect Abadie, die direct na het eind van de Frans-Pruisische oorlog (1870) de opdracht kreeg dit heilige bouwwerk te doen verrijzen, overleed tijdens de bouw in 1884 en heeft de verdere ontwikkeling van dit in romaans-byzantijnse stijl opgetrokken bouwwerk niet mogen meemaken. De oplevering in 1914 werd overschaduwd door een nieuwe oorlog tussen Duitsers en Fransen. De oorlog die in korte tijd uitgroeide tot de Eerste Wereldoorlog en uiteindelijk werd uitgevochten in stinkende loopgraven. De Sacré-Coeur werd na de oorlog in 1919 geconsacreerd. Ik vroeg mij af hoe iemand zoiets bedacht, een kerk bovenop een berg, Montmartre. Een kerk met één van ’s werelds grootste mozaïeken: de Christusfiguur met uitgestrekte armen, zo mooi gemaakt, met een heilige passie voor schoonheid en ambacht.

Buiten keek je uit over de daken van het oude Parijs. Boven in de toren van de kerk heb je bij helder weer een uitzicht van zo’n dertig kilometer, heb ik mij laten vertellen. Jos en ik spraken over onze plotselinge honger naar oudheidkundige informatie, onze onverwachte interesse voor architectuur en geschiedenis.

Nooit hadden wij de Sint Laurenskerk in Rotterdam bezocht. De kerk die symbool stond voor het bombardement op Rotterdam. Als kind kende ik de kerk, omdat wij, door de kaalslag vanwege het bombardement in 1940, vanuit de tram, lijn 3, een goed uitzicht hadden op de restanten van het beschadigde gebouw met de geblakerde toren. De kerkklok was stil blijven staan op het moment van de voltreffer. In de gevallen dat ik de kerk in het zicht kreeg, was ik met mijn moeder onderweg naar dierentuin Blijdorp, naar C&A of een andere stadse winkel. Ik keek als ‘babyboomer’ zonder enige herkenning naar de enkele gebouwen, die nog overeind stonden. Mijn moeder vertelde het verhaal van de oorlog. Ik had het gevoel dat alles nu, hier in Parijs, op z’n plaats viel.

De Sint Laurenskerk was voor zover ik mij kon herinneren altijd in restauratie geweest. Ik dreunde het verhaaltje direct weer op:
‘De Grote of Sint Laurenskerk is één van de oudste bewaard gebleven bouwwerken in Rotterdam, misschien wel het oudste. Deze laat – Gotische kerk werd gebouwd in de periode 1449-1525 en is diverse keren gerestaureerd. Na de verwoesting op 14 mei 1940 werd de kerk met precisie herbouwd. Bezienswaardigheden zijn een drietal graftomben van zeehelden, het koperen koorhek en drie Marcussenorgels, waarvan het hoofdorgel het grootste mechanische orgel van Europa is.’
Ik wist het nog door de geschiedenislessen van mijnheer Drechsel, de leraar met de vettige rode baard. Hij was een op-en-top Rotterdamkenner, een historicus gericht op herkenbaar dichtbij. Wie die zeehelden waren, wist ik niet meer en wat een Marcussenorgel was ook niet, maar de Sint-Laurens stond in mijn geheugen gegrift. Of was Marcussen de bouwer van het orgel?

‘Hé, Piet, hoe gaat het eigenlijk op zo’n Franse universiteit?’

‘Ik ben al aardig gewend, maar niet aan de stank van mijn kamergenoten. Gek word je van die viezeriken. Ik denk, dat ik de enige ben, die twee keer per dag zijn tanden poetst. Maar verder ach saai is het niet, maar spectaculair, nee. Wat denk je van docenten en hoogleraren, die met hun rug naar de klas staan en al murmelend, zonder ondertiteling, wat op een bord staan te krassen. En tegenspraak wordt niet geduld, durf iets kritisch naar voren te brengen en je tas ligt al buiten.’

‘En jij, heb jij het idee, dat je op de EH meer leert, dan bij de lessen van Betsie?’

‘Ik ben mij rot geschrokken, ik begreep er in het begin niets van. Nu weet ik waarom de Rotterdamse economen wereldwijd bekend staan: om hun onduidelijkheid! Jezus, Pieter, ik studeer me scheel, maar het begrip moet nog komen, denk ik.’

‘Goed dat je al een bril hebt.’

‘Ach lul, maar wat doen ze hier dan?’

‘Zoals Betsie, maar dan nog gekker. Er wordt veel tijd besteed aan allerlei Franse filosofen en economen. Het nationalisme druipt ervan af, maar dat zie je niet omdat die figuren met hun rug naar de zaal staan. Het lijkt of ze bang van je zijn. En uitleg, vergeet dat maar. Ik heb gelukkig nog niets nieuws gehoord. Het is goed, dat alle stromingen even voorbijkomen, alleen het Marxisme wordt doodgezwegen. Het ultieme bewijs van traditioneel denken, met daarbij, wat ik net al zei, professoren die met hun rug lesgeven. Mijn medestudenten kijken er niet van op. De Sorbonne is altijd het symbool van middeleeuwse gewoontes en tradities geweest. Hoewel ik het idee heb, dat er steeds meer studenten mopperen op de dictatoriale manier van werken. Het is innemen, niet tegenspreken en op het moment dat het gevraagd wordt, reproduceren. Op de Universiteit van Nanterre is het volgens zeggen nog een graadje erger, dan op de Sorbonne. Daar heerst een middeleeuws regiem, waar de honden geen brood van lusten. Meisjes en jongens streng gescheiden en meer van die truttige acties, zoiets als bij dansschool Meijer.’

De naam Meijer spraken wij in gezamenlijke herkenning uit, om over te gaan op onze gemeenschappelijke slogan: ‘Quick, quick, slow, bij Meijer gaat het zo! Afstand houden jongelieden!’

‘Waar gaan de lessen over in dit land?’

‘Zij praten over niets anders dan de ideeën van John Maynard Keynes. Niet vergeten kinderen, heel belangrijk. Wat zei Betsie nog meer: ‘Keynes, de in 1946 overleden Britse econoom, die naam maakte met zijn adviezen, die de Amerikaanse economie door de grote depressie van de jaren dertig heen hielpen. De opvatting is dat uitgaven van de overheid de economie doen herstellen en dat het stabiliteitspact averechts werkt voor de economie, onthouden sukkels.’

Wij spraken de laatste twee woorden volledig synchroon uit en lagen krom van het lachen. Ik ging door:

‘En natuurlijk worden een paar oude economen afgestoft, opgepoetst en aan ons arme studenten verkocht. Bijvoorbeeld: de oervormen van marktwerking van Bertrand en Cournot, allebei 19e eeuw, waarbij de eerste de nadruk legt op prijzen en de tweede op hoeveelheden of andersom, dat ben ik kwijt. Je wordt doodgegooid met namen, Dupont de Nemours, Adam Smith natuurlijk, Bentham, ondanks het feit dat het een Brit is en ga zo maar door. Dan heb je nog de klassieken en neoklassieken zoals Ricardo, Mill, vanzelfsprekend mijnheer Keynes en de jongens van de Frans liberale school, Say en Bastiat. Terwijl ik al vanaf de eerste lessen van Betsie aanhanger ben van het ‘laissez faire’ principe. Ik dacht altijd dat het van de filosoof Jean Jacques Rousseau kwam, maar het blijkt toch anders te liggen. De eerste die er mee kwam was een Franse minister in 1680, Jean Baptiste Colbert en het is door Vincent de Gournay verder uitgebreid naar ‘Laissez faire et laissez passer’. Jezus, Josje, ik heb, geloof ik, meer opgestoken dan ik dacht.’

‘Ja, stop maar, Piet. Je wordt nog een geleerde.’

‘Weet je, Jos, die gekken van de Frans liberale school, Say en Bastiat bedoel ik, zien oorlog als een afweging van kosten en baten. Oorlog is volgens die twee een mogelijk instrument om schaarse goederen te verwerven, maar naarmate de kosten toenemen en goedkopere alternatieven ter beschikking staan, wordt oorlog steeds minder economisch.’

‘Hoogste tijd, dat die Johnson met z’n Vietnamoorlogje daarvan op de hoogte wordt gesteld. Overigens Piet, de meeste economen zien oorlog niet als iets economisch, maar als een politiek en irrationeel verschijnsel.’

‘Moet je ons horen, zitten we hier een economisch-filosofische verhandeling te houden, volkomen verknipt. Kijk, Parijs is gewoon mooi en het Quartier Latin is nog mooier. Waanzinnig leuke tenten, prachtige verzamelingen van de gekste mensen, culturele verworvenheden en muffe studenten. De eerste dagen liep ik een beetje met mijn ziel onder m’n arm en ben ik wat rond gaan struinen. Wat een hoeveelheid mensen. Je golft met de massa mee, maar je bent volledig solitair. Ik heb twee fantastische kerken bezocht. De St-Julien-le-Pauvre, met een bouwstijlop het grensgebied van Romaans en Gotisch en de St. Severin een beauty van oud en nieuw Gotiek.’

‘Op naar de ‘Rive Gauche.’

‘Niet voordat jij vertelt, hoe het jou verder vergaat. Heb je de boys nog gezien?’

‘Eén ding tegelijk, alleen ik weet niet waar te beginnen. De jongens heb ik nog gezien, maar Jan, Julius en Wilfred zijn naar Duitsland om mee te spelen met een aantal Duitse bandjongens. Ik noem het maar de ‘Beatlekoorts of terug naar Hamburg.’ Hofje heb ik niet meer gesproken. Die is niet te bereiken, die neukt volgens mij de hele dag. Verder is het behoorlijk onrustig. Veel demonstraties door Provo, of de opvolgers van Provo, want ik heb het idee dat Provo doodgebloed is. De jongens hebben dat ook aangekondigd, maar zoiets kan doorsukkelen. Ik heb wegens het aanplakken van pamfletten en het roepen van ‘Johnson Molenaar’ een nacht op het Haagse Veer in zo’n gore politiecel gezeten. Alleen omdat m’n pa het verdomde mij te komen halen en weigerde mijn boete te betalen. Alles lijkt flink uit de hand te lopen. Ik dacht dat we het met die bruiloft van Beatrix en Claus hadden gehad, maar die idiote politie weet van geen ophouden en dat arrogante zooitje in Den Haag denkt zich alles te kunnen permitteren. Het verzet tegen die belachelijke Vietnamoorlog neemt nog steeds toe. Demonstraties volgen elkaar in een hoog tempo op. En de jutten slaan er vervolgens flink op los.’

Jos toonde mij een blauwe plek op zijn schouder afkomstig van de bullenpees van zo’n beul, die een groep demonstrerende jonge mensen uiteenjoeg. Zo’n groep knalde dan uit elkaar als een wolk opvliegende vogels, die vervolgens iets verderop neerstreek om met lotgenoten een groter front te vormen, waardoor het verzet tegen de politie toenam.

‘Op de EH worden allerlei bijeenkomsten gehouden en ik heb het gevoel, dat er behoorlijk wat professoren, docenten en medewerkers het met ons eens zijn. In ieder geval staan zij meer achter onze democratische rechten, dan de autoriteiten in Den Haag. De kroegen staan bol van politieke discussies. Ze hebben zelfs de muziek aangepast. Stones hoor je nauwelijks, het is allemaal protest: ‘Wasted Words’ van The Motions, ‘Eve of destruction’ Barry Mcguire en ‘Welterusten, Meneer de President’ van Boudewijn de Groot.’

We spraken aan één stuk door, vergaten de tijd. Waar ging het over? Gebruiken op de Franse universiteit, de sluimerende onrust onder studenten, het verzet tegen het onderwijssysteem, de ouderwetse aanpak en de gecensureerde studie-inhoud. Het verzet, dat hier gericht was op de Parijse intellectuele samenleving en niet een breder of hoger doel diende. Samenscholingen werden door de Parijse politie keihard aangepakt. De situatie in Europa en de Verenigde Staten was de aanleiding van dit fascistoïde optreden van nerveuze politiemensen. In Nederland was men meer internationaal ingesteld. De mensenrechtenbeweging van Martin Luther King werd openlijk gesteund, het Marxisme en de Cubaanse Revolutie waren populaire gespreksonderwerpen.

De dames ontbraken niet in ons gesprek. Jos sprak enthousiast over Margot, haar studie voor onderwijzeres, de successen met haar jazzband, een eerste plaat stond op stapel. Hij vertelde verder over hun zinderende zomervakantie aan zee, vooral in de duinpannen.

‘Ik zie het al, nog steeds tot over je oren.’

‘En Betty?’

‘Ik heb al twee brieven van haar gehad, maar nog niets teruggeschreven. We hebben wel drie keer getelefoneerd. Ik geloof dat ik haar mis. Zeker in het begin, misschien was het heimwee naar mijn omgeving, naar het decor van toen. Jos, ik weet het niet, ik heb geen ander. Ik leef wat dat betreft in een soort klooster hier, maar ik trek me echt niet af met haar foto voor mijn ogen.’

‘Als ik jou hoor praten, denk ik dat je eens goed om je heen moet kijken. Het leven is een eenmalige aanbieding en ruilen is niet mogelijk. Waarnemen en toeslaan.’

‘Hoort, wie het zegt.’

Een vrouwelijke clochard in een lange versleten jas, die ooit rood geweest moest zijn, hield stil voor onze bank. Zij zette de half kapotte tassen, die zij met zich meedroeg, naast haar neer en stak haar vuile hand in de vorm van een soeplepel onder onze neuzen. Ze eiste met een scherpe stem, die je niet verwachtte uit haar tandeloze mond, geld voor het huren van de bank waarop wij zaten. We gaven haar lachend een paar francs, terwijl we opstonden. Zij zette onmiddellijk haar tassen tegen de zijkant van ‘haar’ bank en ging er met opgetrokken knieën op liggen.

Wij liepen al pratend weg en passeerden Place du Tertre zonder aandacht te besteden aan het kleurrijke decor. We negeerden de schilders, die ons portret al op hun papier aan het schetsen waren. Op de Boulevard de Rochechouart besloten we de metro te nemen. We doken in een put vol lysollucht, tandeloze clochards, haastige metroreizigers, zenuwachtig zoekende toeristen en de krijsende klanken van veel vertrekkende en remmende metrostellen. De wielen kliefden zich in de rails en veroorzaakten een slang van vuur onder de wagons. Wij kwamen er, bij de perronkeuze, achter dat we geen bestemming hadden afgesproken. Jos bedacht zich op dat moment, dat hij zich moest melden in restaurant Luce voor de gidsinstructies en daarvoor naar Place de Clichy moest.

‘Ja, weet je Pieter, deze jongen is hier om centjes te verdienen.’

‘Ik moet ook hoognodig een baantje zoeken, het is constant eb in mijn portemonnee.’

We namen afscheid en spraken af over twee weken elkaar weer op te zoeken, als Jos opnieuw Parijs aan zou doen.

Ik besloot een stuk te wandelen en stapte uit op metrostation Concorde en vervolgde mijn weg langs het Louvre richting Pont Neuf. Ik had het gevoel, dat ik in een mensenmassa zweefde, opgenomen in een eeuwig voortgaande tred, doelloos, eindeloos en zinloos. Ik keek uit over de Seine en liet de rondvaartboten gedachteloos over mijn netvlies koersen. De wind speelde door mijn haar. Ik duizelde door de schitteringen in het water. De sporen achter de schepen leken uit miljoenen diamanten te bestaan. Ik wilde meevaren, ver weg. Wat deed ik hier in Godsnaam?

Zo heb ik vaak in Rotterdam op de Maasbrug gestaan, terwijl de Rijnaken in het donker hun boordlichten onder de brug door lieten zweven. Ik wilde mee, liggend in een scheepskooi, glijdend naar ver weg, ergens waar het voorlopig geen morgen werd.

Een klap op mijn schouder bracht mij met beide voeten terug op de oude brug. Eén van mijn huisgenoten stond grijnzend naast me.

‘Hoe heb je me gevonden?’

‘Wat bedoel je?’

‘Nee, laat maar.’

Ik had een binnenpretje, terwijl wij samen Quartier Latin binnenliepen. De rust, die hier hing was tegengesteld aan het hectische Nederland, waarbij de Universiteit van Amsterdam vooropliep. Protesten tegen de oorlog in Vietnam waren hier wel, maar provo’s, happenings en witte fietsen kenden ze in Parijs niet.

Rue Racine, we waren op onze bestemming. Het huis boven de winkel vlakbij de bewerkte houten gevel van restaurant Bouillon Racine. In ons studentenhol op de derde verdieping was de lucht te snijden, rook, zweet en ongewassen lijven, die op hun rug in een stoel hingen.

Mijn vijf huisgenoten waren uiterst sympathiek: twee Belgen, reuze handig bij taalproblemen, een Zwitser en twee jongens uit Reims. De meeste lazen boeken of draaiden een plaat. Studeren was niet de eerste bezigheid van deze mannen. In het begin vond ik hun literaire keuze bespottelijk, te zware kost voor iemand zoals ik, een adept van de Donald Duck generatie. Wolkers, Mulisch dat ging nog, maar Herbert Marcuse en Marx, het kon mij niet bekoren. Ik las nog liever de ‘Camera Obscura’ van Hildebrand, waarvan ik vroeger walgde. Waarschijnlijk was het, omdat wij op school gedwongen werden ons door deze pil heen te worstelen. Maar het onverwachte gebeurde: met mijn verblijf in Parijs veranderde mijn interesseveld. Marx trok mij steeds meer en vooral een boek van Bourdieu en Passeron ‘De erfgenamen, de studenten en hun studies’ boeide mij. Zij haalden het hoger onderwijs in Frankrijk behoorlijk door de mangel, de belachelijk hypocriete, conservatieve wijze van college geven en de college keuze. Het systeem was zo ouderwets, dat je het gevoel had wanneer je een collegezaal binnenstapte, dat de muren ieder ogenblik in een gruislawine over je heen konden schuiven. Dat de banken onder je kont konden wegscheuren en dat elk gesproken woord, voor zover verstaanbaar vanuit de schouderbladen van de professor, een ode was aan de tijd van Napoleon.

De boeken, die gebruikt werden, waren zo verouderd, dat ze antiquarisch geen slechte indruk zouden maken. Je kon in ieder geval vaststellen, dat dit echt het enige was dat je aan je studie overhield.

De platenspeler liet de naald licht krassend rondgaan over Jacques Brels, ‘Le plat pays’. Mijn Vlaamse huisgenoten rookten er zware shag bij.

Mijn medebewoners vertrokken om ergens hun avondeten te vangen. Ik liep naar de bakker voor een stokbrood. Kaas had ik nog en ergens moest een fles goedkope wijn staan. De buurt dompelde zich in het donker, de majestueuze panden leken te krimpen in de contouren van de avond. Geluiden klonken ver weg, werden gedempt door de duisternis. Ik vroeg mij af of je geluiden sterker ervoer als je de bron niet zag of juist andersom. Ik had mij nog niet zo eenzaam gevoeld als vanavond, hoewel ik het zelf had opgezocht door niet met de jongens mee te gaan eten. Was de wil om alleen te zijn evenredig aan het gevoel van eenzaamheid? Ergens in de stad was Jos met zijn toeristen in actie en zou na een goeie maaltijd weer richting Nederland vertrekken. Naar huis, naar iemand waar hij dol op was. Ik dacht aan mijn ouders, wat deden zij, waar zaten ze? Ik wist niet eens of mijn vader thuis was. Als kind moest ik bijna altijd huilen als hij vertrok en ik hem met mijn moeder in de vertrekhal mocht uitzwaaien. Soms lieten ze ons stiekem aan boord, omdat de vader van mijn vriendje de dienstdoende douanier was. Als we dan op het laatste moment via de loopbrug weer op de wal stonden, voelde ik mij verschrikkelijk klein naast de wand van dat hoge, donkere schip. Als ik naar boven keek, zag ik alleen die scheepswand en had ik het gevoel dat er niemand was. Dat dat grote monster mijn vader meenam en dat ik hem nooit meer zou zien. Dan moest ik hard huilen, met grote snikken, die je adem afsneden, waardoor ik pijn voelde in mijn hele lijf. Zo intens verdrietig en bang iemand kwijt te raken. Iemand die mijn vader was en waar je zo veel om gaf. Iemand die zielsveel van jou hield, maar waarvan je steeds afscheid moest nemen. In de armen van mijn moeder nam het schokken van mijn lichaam langzaam af en keek ik door mijn tranen heen in haar vochtige ogen. Ogen die mij voorzichtig vertelden, dat wij op mijn vader moesten wachten. Dat we geduld moesten hebben tot eindelijk de aankomsthal het middelpunt zou worden van gelukkige mensen, die elkaar omhelsden, omdat ze elkaar heel lang niet hadden gezien.

‘s Nachts was ik bang dat het schip zou verdwalen en de dag nooit zou vinden. Ook dan begon ik te huilen en mocht ik bij mijn moeder in bed om rustig te worden.

Mijn herinneringen veroorzaakten spontaan tranen in mijn ogen. Ik verdwaalde in mijn eenzaamheid. Ik miste Betty onverwacht meer dan ooit, haar warme lijf, haar troostgevende ogen, haar zacht strelende handen. Ik miste onze vrijpartijen die steevast eindigden met haar eisende uitspraak: ‘Kijk naar me als je klaarkomt, ik wil je ogen zien.’

Ik zocht tussen de platen van mijn Vlaamse vrienden, omdat mijn opgekomen nostalgie de behoefte aan muziek opwekte. Toepasselijk was Brels ‘Ne me quitte pas’. De jongens hadden zowel de Nederlandse als de Franse uitvoering, die ik na elkaar draaide. Het idiote was, dat de Franse versie mij meer aansprak, dan het Vlaamse ‘Laat mij niet alleen’. Ik twijfelde na een halve fles wijn tussen een brief schrijven aan Betty of gaan slapen. Ik koos voor het laatste.

November begeleidde in een sluier van motregen oktober naar de wachtkamer, over een jaar was het haar beurt weer. In mijn onzekerheid hoopte ik, dat het snel opnieuw oktober werd, dan was ik weg uit Parijs. Het leven in Parijs gaf mij een gevoel van onveiligheid, maakte me klein, kwetsbaar en riep een niet te definiëren vorm van heimwee op. Ik moest mijn brief aan Betty afmaken, ik nam mij voor dat nu echt te gaan doen…

Lees over veertien dagen verder op de website…

Niko van der Sluijs

Mobiele versie afsluiten